donderdag 10 juni 2010

Achtergrond bij het Sintjansfeest


Het feest van Sint Jan

Sint Jan die komt er an
Sint Jan die komt er an
Sint Jan gaat komen
Ik zie het aan de bomen
Sint Jan die komt er an









Sint Jan is het laatste feest van het schooljaar. Het is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met een Sint-Jansvuur en vrolijkheid. Om ons heen zien we de natuur zo uitbundig en rijk als in geen ander jaargetijde. Alle bladeren hebben zich vol ontplooid,
bloemknoppen springen open, de eerste vruchten gaan komen. In het groene gras zien we een verscheidenheid aan pollen, aren en pluimen, die met een gouden waas het groen versluieren. Insecten zingen in de blauwe hemel, vogels fluiten dat het een lieve lust is. De natuur biedt ons een geweldige overvloed. Ook wij voelen ons meegenomen in deze bonte, warme wereld. Wij willen naar buiten, de vakantie lokt.
Dan nadert de Midzomernacht, de nacht van 23 op 24 juni. De zon staat hoog aan de hemel en bereidt zich voor op de terugtocht. Nog één korte, lichte nacht en het keerpunt is gekomen. We lijken zorgeloos te zijn en genieten van zon en buitenlucht.

















Maar is dat het? Is dat het hele Sint-Jansfeest. Met z’n allen gezellig plezier maken rondom een vuur? Of is er ergens een diepte aanwezig, een onderstroom die we niet direct herkennen?
We bekijken eens wat in het algemeen de jaarfeesten kenmerkt. Het ritme van de natuur, van de aarde, zou je in eerste instantie zeggen. Een ritme waarin we zelf meebewegen.
Zo ervaren we in de herfst en de winter een weg naar binnen. Letterlijk door ons steeds meer in ons huis terug te trekken, figuurlijk door ons met meer concentratie op onze taken toe te leggen. Overeenkomstig bewegen we in de lente en zomer meer naar buiten. Tegelijk met het groeien en bloeien van planten en struiken zoeken we meer de buitenlucht op, denken aan vakantie en ontspanning en verliezen onze doelen misschien even wat uit het oog.
De jaarfeesten vormen door het jaar heen een soort ankerpunt waarin het ritme van de natuur even scherp naar voren komt. Ze maken ons wakker voor wat er op dat moment vanuit de natuur op ons toestroomt.
Maar er is meer aan de hand. Bij het bewust vieren van de jaarfeesten kunnen we in onszelf iets beleven wat recht tegenover de uiterlijke natuur staat.
Zo laat het Michaëlfeest ons inzien hoe we tijdens de afbraak in de uiterlijke natuur juist dan innerlijke motieven of idealen kunnen ontwikkelen. Het kerstfeest brengt ons temidden van de diepste duisternis het geschenk van de geboorte van het Christuskind en het paasfeest, dat het begin van de lente (het nieuwe leven) markeert, laat ons stilstaan bij de kruisiging en de dood van Christus.
Kennelijk is er steeds sprake van een tegenbeweging. Deze tegenbeweging is steeds innerlijk van aard, en precies tegengesteld aan het uiterlijke natuurbeleven.


Hoe zit dat bij het Sint-Jansfeest?









Het is midzomer, de zon staat op haar hoogtepunt aan de hemel. We geven ons over aan zonlicht en warmte en ervaren de ontspanning, het éven niet zo nodig hoeven. Zeker als de temperaturen hoger worden, worden we lomer en misschien enigszins dof in ons bewustzijn.


















Sint-Jansdag (24 juni) is dag van Johannes de Doper (Sint Jan) Hij werd een half jaar eerder dan Jezus geboren, namelijk op 24 juni. Johannes de Doper trok al vroeg als kluizenaar de woestijn in, waar hij zich voedde met sprinkhanen, bessen en wilde honing. Hij was het die Jezus tot Christus doopte in de Jordaan. Hij was het die met zijn grote gestalte zoveel licht en warmte in zich droeg, die zichzelf in dienst stelde van diezelfde Christus. In zijn eigen woorden : ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’.
Sint-Jansdag is de tegenpool van de kerstnacht. Het uiterlijke licht en de uiterlijke zonnewarmte staan hier tegenover de geboorte van een nieuw innerlijk licht in de diepste duisternis. Zo is het Sint-Jansfeest bij uitstek het feest van de tegenpolen. De natuur is treedt maximaal naar buiten en het is verleidelijk voor ons om daarin mee te gaan. Niet alleen door ons aan de zon over te geven (op het strand bijvoorbeeld), maar ook door ons sterker te richten op ons aardse ik (onze uiterlijke zon). Om onszelf niet teveel te verliezen – in zelfgenoegzaamheid, in oppervlakkigheid- is het essentieel juist in de Sint-Janstijd ons bewust te worden van ons eigen ‘innerlijke licht’.

Dat probeert Johannes de Doper ons aan te reiken. ‘Hij moet groeien, ik moet afnemen’.
Johannes was degene die de mensen maande tot inkeer te komen en hun houding te veranderen omdat de komst van Christus nabij was.

Hij is de grote voorbereider geweest, die met zijn krachtig woord tot de mensen sprak, zodat er een wending in menselijke gedachten en ook in de tijdsgeest kon plaatsvinden. “Komt tot inkeer”, zo sprak Johannes. Je kunt niet altijd blijven groeien, bloeien en zorgeloos genieten. Er komt een moment dat deze krachten omgewend moeten worden, naar binnen gericht, teruggehouden dienen te worden. Wees niet te snel in je oordeel, laat de warmte je hoofd niet verhitten. Word je temidden van de zomerse ontspanning bewust van de tegenpool in jezelf. Vorm de uiterlijke zonneschijn, die ons loom maakt, om tot een wakkere innerlijke warmte en liefde voor het leven.
Ontdek dat het wezenlijke slechts zichtbaar is in het hart.





















Meer dan in welke tijd van het jaar ook lijkt de aarde op een kleine zon, met eigen, stralende glans.
Nu speelt alles in de natuur zich af in de hoogte. De vogels zingen volop; bloemen zenden hun stuifmeel omhoog en tal van insecten; vlinders, bijen, hommels en kevertjes - omzweven de bloemen, zo hun rol in de vruchtzetting spelend. Onder de insecten vallen de kleurige, tere vlinders op.
De wind en de insecten hebben het proces van de vruchtzetting op gang gebracht. De mei-maand bracht velden vol bloeiende bloemen, maar juni bracht de eerste zomervruchten rijp: aardbeien en rode bessen. De zwarte bessen, frambozen, kersen en tenslotte bramen zullen weldra volgen. In rijpende vruchten neemt de aarde de zonnewarmte op, wordt a.h.w. verinnerlijkt.
Na de langste dag op 21 juni begint de zon langzaam onmerkbaar weer aan de afdaling. Ook het leven op aarde stijgt na de zomerzonnewende niet meer op in groei en bloei, maar het neigt zich in vruchtzetting, vruchtrijping en zaadvorming voorzichtig weer naar de aarde.
Midzomerzonnewende.
De langste dag - de kortste nacht van het jaar werd in de voorchristelijke tijd beleefd als het hoogtepunt van het jaar. Veel van de oude gebruiken van het Midzomerfeest zijn overgegaan op het Christelijke Midzomerfeest, het Sint Jansfeest, dat drie dagen na de zonnewende gevierd wordt, op 24 juni.
Het Sint Jansfeest heeft dus altijd dezelfde datum, in tegenstelling tot het Pinksterfeest, waarvan de datum afhankelijk is van de Paasdatum. De vroegste Pinksterdatum is 10 mei en de laatste is 13 juni. Het kan dus gebeuren, dat Pinksteren en Sint Jan maar 14 dagen van elkaar af liggen.
Bij de meeste Heiligen is het de sterfdag, die als hun feestdag gevierd wordt. Bij Sint Jan wordt de geboortedag van Sint Jan de Doper gevierd. Ook aan de andere kant van het jaar staat een geboortefeest centraal, kort na de Midwinterzonnewende, het Kerstfeest, de geboorte ven Jezus van Nazareth. Beide geboortes zijn omgeven door wonderlijke gebeurtenissen.
De ouders van Johannes, de priester Zacharias en zijn vrouw Elisabeth, waren al op leeftijd, toen Zacharias van de engel Gabriël de boodschap kreeg dat hem een zoon geboren zou worden. Omdat Zacharias het niet geloofde werd hem zijn spraak ontnomen. Toen het kind geboren werd, wilde de familie hem Zacharias noemen, naar zijn vader. Maar Elisabeth zei, dat zijn naam Johannes zou zijn, zoals de engel bevolen had. Toen Zacharias dit bevestigde kreeg hij zijn spraak weer terug.
Johannes de Doper werd als zomerkind geboren en Jezus van Nazareth als winterkind.
In de zomer is de mens heel anders, dan in de winter. In de zomer zijn we veel extraverter . We treden in fysiek zin naar buiten en zetten ramen en deuren open. In de winter zijn we veel introverter. In de zomer groeit en bloeit de natuur en stijgt omhoog van de aarde naar de kosmos. We hebben de neiging om mee te gaan. We willen ons bevrijden uit onze dagelijkse taken. Het is niet voor niets in de zomer vakantietijd. Het liefst dromen we weg en soezen we in de omhullende warmte van de zon.


















De mens in oudere tijden, nog ver voor de jaartelling, was als de mens in zomertijd: dromerig en minder wakker van bewustzijn en minder aardgebonden. Zijn ziel was omhuld als door een mantel en hij beleefde daarbij in de zonnewarmte de geestelijke wereld als nog een extra omhulling. In de loop der tijd heeft de mens zich afgesnoerd van de goddelijke wereld en langzaamaan kromp ook zijn zielemantel. De ziel trok zich steeds meer terug binnen de grenzen van het fysieke lichaam. De mens werd als de aarde in wintertijd, die haar ziel in zich heeft opgenomen en kaal, dor en dood is geworden, maar wel wakker en helder van bewustzijn.
Christus zei van Johannes dat hij de grootste was onder de mensen en de kleinste onder de engelen, wat erop lijkt te wijzen, dat Johannes qua ontwikkeling tussen mens en engel stond. Johannes, de zomermens, bezat de intuïtieve kennis van de goddelijke wereld en zijn gevoel van harmonie t.o.v. de omringende, zintuiglijke wereld. Als een brandend vuur was Johannes, die velen enthousiast maakte. Ondanks de strenge leer die hij preekte had hij een grote schare volgelingen, die hij doopte in het stromende water van de Jordaan. Hij bereidde zijn volgelingen voor op de komst van Christus en de nieuwe tijd die daardoor aan zou breken. Door hen te dopen in het stromende, altijd beweeglijke en veranderende water maakte hij hun zielen los uit de starheid van oude vormen en tradities. Zo werden zij ontvankelijk voor het nieuwe dat komen ging.
De oude mens, uit de voor-Christelijke tijd, was een zomermens, die de werkzaamheid van de Goddelijke machten beleefde in de warmte van de zichtbare zon. Johannes wijst erop, dat die zomermens, die hij zelf vertegenwoordigt milder moet worden, moet afnemen zoals de zon na de zomerzonnewende afneemt. De nieuwe mens moet een wintermens zijn, zoals Jezus van Nazareth, die de Christus in zich opnam en in zich droeg als innerlijke zon. Deze nieuwe wintermens moest groeien, als de zon na de winterzonnewende.
Door de Christuskracht in ons op te nemen, kunnen wij "nieuwe" mensen ons opnieuw verbonden voelen met de Goddelijke wereld. Nu niet meer dromerig en intuïtief als de oude mensheid, maar met een helder, wakker bewustzijn. Ook de aarde en alle elementen kunnen we dan herkennen en begroeten als aan ons zelf verwant: zij stammen oorspronkelijk uit dezelfde goddelijke wereld waar wij vandaan komen. Sint Franciscus is een voorbeeld van een mens, die dit al verwezenlijkt heeft.
Na de doop in de Jordaan trok Christus zich voor korte tijd terug in de eenzaamheid van de woestijn. Daarna begon hij zijn openbare leven, dat drie jaren zou duren.
Voor Johannes nam het leven een dramatische wending. Op bevel van koning Herodes Antipas werd hij gevangen gezet en vlak voor Christus met zijn twaalf leerlingen - allen oorspronkelijk volgelingen van Johannes - zijn zwerftocht door Palestina begon, werd Johannes de Doper onthoofd. Zijn afgehouwen hoofd werd op een schotel de zaal binnen te gedragen waar Herodes met zijn hofhouding feest vierde. Maar de geest van de Doper rustte gedurende de drie jaren van Christus openbare leven op de twaalf leerlingen en bleef hen inspireren tot aan het eerste Pinksterfeest.

Tekstbronnnen:
Van herfst tot zomer – met de jaarfeesten het schooljaar door. Fred Tak – uitgeverij Christofoor

Jaarfeesten bij op school – een bundel samengesteld door Yolanthe Cornelisse voor de Vrije School Haarlemmermeer

http://www.tomaatnet.nl/vrijeopvoeding
Jaarfeestengroep V.S. Heerlen
















Het Sint-Jansfeest in de praktijk

Op school:
We gedenken de geboortedag van Johannes de Doper. In de oude, heidense culturen werd omstreeks deze datum het midzomerfeest gevierd. Op de dag zelf worden door de kinderen bloemenkransen gemaakt voor op het hoofd.
Er wordt gezamenlijk gepicknickt met door iedereen meegebrachte lekkernijen, kersen en vers fruit.
Er worden spelletjes gespeeld en er is een vuur. In vele scholen wordt tegen de avondschemering
het Sint-Jansvuur aangestoken. Als de vlammen hoog oplaaien staan allemaal in een kring rond het vuur en worden door de kinderen en ouders Sint-Jansliederen gezongen. Als het vuur iets getemperd is mogen alle kinderen één voor één over het vuur springen.

D e kleuters hebben op Sint Jan een eigen programma op de dag – ze trekken met bloemenkransen op het hoofd naar buiten waar met elkaar spelletjes gedaan worden. Er is buiten een picknick met vers fruit en er worden bellen geblazen.

















De Traditionele Viering

24 juni is de dag van Sint Jan. We gedenken dan de geboortedag van Johannes de Doper. Johannes was degene die de mensen maande tot inkeer te komen en hun houding te veranderen omdat de komst va de Christus nabij was. Hij doopte de mensen tot Christenen door onderdompeling in het water van de Jordaan. Verwijzend naar de komst van de Christus sprak hij: "Hij moet groeien, en ik moet afnemen". Er is een oud gezegde dat luidt: " Met Sint Jan draait het blad zich om". Na deze dag treed een langzame verandering op inde natuur, die echter meestal pas zichtbaar wordt als de herfst zich in augustus aankondigt. Ook in het oude, heidense culturen werd omstreeks 24 juni een feest gevierd, het midzomerfeest. Dan braken in de natuur alle magische krachten los. Ik de oude Keltische culturen probeerden de druïde tijdens de zomerzonnewende feest iets van de wijsheid van de goden in zich op te nemen. Shakespeare beschrijft in zijn midzomernachtdroom hoe de natuurwezens die nachtvrij spel met de mensen hebben.

Sint Jansvuur


















Op talloze plaatsen in Europa worden nu nog op 24 juni Sint Jansvuren ontstoken. Dit gebruik stamt uit voor Christelijke tijden. Men kende aan het vuur een reinigende werking toe en ook boze geesten konden erdoor worden verjaagd. Sprong men door de vlammen van het vuur, dan was dat om ongeluk en ziekten te overwinnen. Hoe hoger de vlammen, hoe rijker de oogst. Om het Sint Jansvuur te ontsteken was haardvuur niet rein genoeg; men maakte vlammen door het wrijven van hout of het slaan op stenen. Acht dagen voor Sint Jan brandde men in Vlaanderen grote bossen stro langs de straten, zodat de paarden geen koliek zouden krijgen. Houtskool van het St. Jansvuur werd bewaard als middel tegen brand! Tenslotte bezat de as ook een geneeskrachtige werking en weerde het boze geesten, ziekte en ongeluk af. Nog steeds springen jonge paartjes over het vuur in de hoop daardoor gelouterd te worden en samen een gelukkig leven te kunnen leiden. Het grote Sint Jansvuur wordt meestal s' avonds aangestoken, maar met jongere kinderen kan men dit ook overdag doen. Wees bij het aansteken van vuuruiterst voorzichtig, omdat de natuur in de zomer droog is en er snel brand kan ontstaan. Het is verplicht in een bos van te voren met de boswachter te overleggen. Het is heerlijk om met de kinderen eerst wat hout en ander brandbaar materiaal ter plekke te zoeken om samen het vuurtje op te bouwen. Neem daarvoor dunne, droge takjes en eventueel wat hout van een sinaasappelkist mee. Probeer het vuur zonder papier of ander rook ontwikkelende middelen aan te steken. Het is wel wat moeilijker, maar het geeft de kinderen des te meer voldoening. Van dunne, droge houtjes en houtspanen maken we een soort tent waaromheen het overige hout recht omhoog wordt opgebouwd.
Rond Sint Jan schieten volgroeide bloemen en struiken vaak opnieuw weer uit : de zogenaamde “Sint Jansloten”. Een sprong over het vuur loutert jezelf en geeft je kracht voor de komende donkere tijd.

Kinderen vinden het heerlijk om een vuur aan te steken. Laat ze hun houtjes aan een kaars aansteken, om dan van verschillende zijden het vuur daarmee aan te steken. Misschien zal men moeten helpen door te blazen, maar tenslotte zal iedereen tevreden zijn als het vuur brandt. Kijk met elkaar naar het vuur , naar de kleuren die het heeft, naar de vormen van de vlammen en de wijze waarop het vuur aan het hout likt en er langs omhoog klimt. Hout dat niet helemaal droog is begint in het vuur " te zweten " , terwijl de harsen in de tak weer een heel nieuw kleureffect geven. Als het vuur is uitgebrand en er een gloeiende massa met kleine vlammetjes overgebleven is, is het heel feestelijk om er gezamenlijk bij te eten. Men kan er aardappels in poffen, door ze verpakt in zilverpapier, in de gloed te leggen. Ook kan men worstjes aan een houten takje braden. Het bakken van eigen broodjes waarbij stevig deeg om een houten stok gedraaid wordt is een werkje dat grote aandacht en zorgvuldigheid vraagt, omdat het brood kan verbranden als het te lang boven de gloed gehouden wordt, terwijl het niet gaar is, als de kinderen het te vlug weghalen.

Sint Janskruid Wanneer je een takje van het Sint Janskruid in je schoen legt, kun je de
volgende dag de dierentaal spreken.
In de Sint Jansnacht moest de wichelroede gesneden worden en mocht de schipper niet uitvaren. De asperge mag ook na Sint Jan niet meer gestoken en de rabarber niet meer geplukt. Het Sint Janskruid (Jaag-de-duivel-kruid) zou boze geesten verdrijven. Het zou behoeden tegen branden en allerlei kwalen, geplukt voor zonsopgang beschermde het tegen de bliksem, welke je rieten dak in lichterlaaie zou kunnen zetten.







Sint Jansdag was vroeger een algemeen erkende en goed onderhouden feestdag. In deze periode hadden de buitenmensen tijd om feest vieren. De avond ervoor werden “Sint Jansplanten” gerooid : Sint Janskruid, Artemisa, Verbene, Calcarie, Bijvoet, IJserkruid, Ridderspoor, allemaal planten met een bijzondere kracht Hiervan werden Sint Janskronen gevlochten en boven de huisdeuren gehangen, als machtige tover- en liefdesmiddelen.
Sint Jan als MidzomerfeestEr is een oud gezegde dat luidt: " Met Sint Jan draait het blad zich om." Na deze dag treedt een langzame verandering op in de natuur. Ook in oude, heidense culturen werd omstreeks 24 juni een feest gevierd, het midzomerfeest. Dan braken in de natuur alle magische krachten los. In de oude Keltische culturen probeerden de druïden tijdens het zomerzonnewendefeest iets van de wijsheid van de goden in zich op te nemen. Het is het natuurgebeuren dat ons oproept tot een uitbundig feest. Het meegaan met de natuur naar buiten, die ons helemaal mee naar de kosmos neemt. Wat een rijkdom aan prachtige oude wijsheden. Kennen we ze nog, herkennen we ze nog en willen we ze in onze snel verhardende wereld opnieuw beleefbaar maken? Voor kinderen staan deze tradities, rituelen en beelden , die klare taal spreken tot hun gevoelswereld, heel dichtbij. Maar hoe zit dat met ons, volwassenen? Wij kunnen niet meer putten uit allerlei krachten van vroeger, maar we kunnen ze wel met ons meenemen in gedachten en als actieve deelnemers het Sint Jansfeest tot een heerlijk zomerfeest maken.Je kunt niet altijd blijven groeien, bloeien en zorgeloos genieten. Er komt een moment dat deze krachten omgewend moeten worden, naar binnen gericht, teruggehouden dienen te worden. Wees niet te snel in je oordeel, laat de warmte je hoofd niet verhitten. Kortom, St. Janstijd is opletten geblazen; verlies jezelf niet.

Uit: schoolkrant V.S. Den Haag St. Jan 1996auteur: Marianne Commandeur Geraadpleegde literatuur: Emil Bock: De jaarfeesten
Marieke Anschutz: Omgaan met de jaarfeesten
H. Sweers: Jaarfeesten B. Barz: Jaarfeesten met kinderen
A. Boogert: In de stroom van het jaar N.N.: Jonas 1987-1984

Het Sint JansfeestNa Hemelvaart en Pinksteren hebben we nog een feest om te vieren voordat de feestloze periode aanbreekt tot aan Michaël op 29 september. Dat feest is hoogzomer, 24 juni, de geboortedag van Johannes de Doper. We vieren dan het Sint Jansfeest. Er is een open plek in het bos, een grote achtertuin bij de school of een ruimte aangewezen door de gemeente, waar in het midden hout hoog opgestapeld ligt. Er omheen staan in een wijde kring allerlei spellen opgesteld, die geschikt zijn om buiten in de open lucht te spelen. De geuren van versgebakken broodjes en andere lekkere etenswaren komen je tegemoet.
Zo ongeveer ziet de plaats eruit waar op de avond van 24 juni een feest gevierd gaat worden. Soms nodigt een grote bloemenboog je uit om binnen te komen en een plaatsje te zoeken rondom de houtstapel. Muziek gaat klinken van een accordeon of violen en gitaren of fluiten en van vele stemmen die de Sint Jansliederen zingen. Nadat iedere aanwezige gegeten en gedronken heeft en heeft deelgenomen aan het circuit van spelletjes komt het grote moment waarop iedereen wachtte. De houtstapel wordt aangestoken en het volksdansen en zingen om het vuur kan beginnen. Als het vuurtje lekker knappert, kunnen alle aanwezigen in het gras gaan zitten om te luisteren naar het verhaal. Daarna volgt nog het hoogtepunt van het feest: het springen over het vuur door de oudste kinderen. Ze hebben jaren gewacht op dit moment en nu is het zover. Onder groot applaus springen ze twee aan twee over de vlammen en het smeulende vuur.
In voor-christelijke tijden vierde men zomerfeesten op de dag van de zomerzonnewende, 21 juni. Men vierde dat de dag langer geworden was dan de nacht. De aarde heeft zich overgegeven aan de kosmos en de mensenziel gaat mee. De feesten die gevierd werden, waren buiten in de openlucht, liefst nog boven op een berg, als teken dat men zich volledig aan de natuurkrachten van de kosmos overgaf. In de oude Keltische culturen probeerden de druïdepriesters tijdens deze zomerzonnewende-feesten iets van de wijsheid van de goden in zich op te nemen. Een wezenlijk kenmerk van deze tijd is het licht en de warmte, die van de zon uitgaan. De aardsengel die zich met deze periode verbonden heeft is Uriël.
UR' is het Hebreeuwse woord voor licht. De warmte zal de komende maanden nog toenemen maar het uiterlijke licht neemt af. We gaan een tijd tegemoet waarin het weer op verinnerlijking aankomt. En daarop duidt Johannes de Doper, de boeteprediker aan de oever van de Jordaan. Hij doopt de mensen met het water van de Jordaan en wijst de mensen erop dat er een nieuwe wereldtijd is aangebroken. Het innerlijk van de mens wordt niet meer van buitenaf gevormd. We worden opgeroepen "in te keren", om in ons eigen innerlijk een nieuwe aanzet te vinden voor het leven. Dat is waarop Johannes de Doper wijst: "Komt tot inkeer, want het Rijk der Hemelen is nabij", en "Baant de weg voor de Heer".
De wijzende vinger van Johannes zien we het duidelijkst op het schilderij van het Isenheimer-altaar, wat in Colmar is ten tentoongesteld. "Hij moet groeien, ik moet afnemen", zijn de woorden van Johannes. Daarbij wijst hij naar het komende kerstfeest, een half jaar later, de geboorte van het Kind, het Christuslicht. In de zomerwarmte en in de roes van het feestvieren wordt men meegetrokken in de slaaptoestand en dreigt men te verzinken in een toestand van niet waakzaam zijn. De hele natuur helpt mee, maar wij zijn meer dan alleen natuurmensen. Het Sint Jansfeest is het feest van de ommekeer, we worden opgeroepen om vooruit te denken: "Verandert uw gezindheid". In het afstand nemen van het alledaagse tijdens de zomervakantie, die volgt op het Sint Jansfeest, kunnen we met de kinderen wandelingen maken en iets van de eerbied en dankbaarheid voelen voor de gaven van de natuur. Veldbloemen en strobloemen kunnen gedroogd en in de kersttijd gebruikt worden. Dan heb je een tastbare verwijzing van het Sint Jansfeest naar Kerstmis toe.







Sint Janstijd met de kleuter
Verschenenen in de schoolkrant V.S. Den Haag St. Jan 1997auteur: Ellie Bus
De woelige stormachtige onweersbuien in de zomertijd zijn, als ze niet te veel schade aanrichten, verfrissende schoonspoelers. Daarna ruikt alles heerlijk en als het zonnetje weer schijnt, verschijnen de vlinders en bijen alsof de warmte hen onder de bladeren vandaan wekt. De schone wereld kan weer betreden worden.










KringspelenDe spelen die we doen zijn veel oude kring- en rijspelen. Groen is gras, Annemarie Kahien, twee emmertjes water halen. Een speltendens die met Pinksteren heeft ingezet, maar tot de grote vakantie duurt. Spelen waarbij kinderen veel bewegen, maar waar ze ook structuur aan ervaren. Bovendien vraagt het sociaal vermogen, handen vasthouden, samen een kring vormen, elkaar aankijken, samen zingen en erbij blijven, met elkaar iets vormen. Als de oudste kinderen dat enthousiast beheersen dan nemen ze de kleintjes vanzelf mee.
Het buitenspel is anders. Hutjes, parasolletjes, water. Als het mooi weer is gaan we vroeg naar buiten. De ochtendzon is nog koel en wat gedempt, later op de dag wordt het fel en te warm voor de kinderen, dan spelen we liever binnen. Kinderen worden ontzettend moe van fel zonlicht, raken buiten zichzelf en verdwijnen in de ruimte, gaan zich dan vervelen. De klas biedt omhulling, koelte en structuur. Kinderen verheugen zich op elk nieuw feest dat komt. Ze hebben het nu alweer over naar de duinen gaan. Het vieren van feesten is als voedsel voor de ziel. Elke keer is dat weer waarneembaar. Zo'n prachtig pinksterfeest met stralende gezichtjes, mooie kleren en de mooi versierde boom, brengen kinderen ook in de juiste stemming. Het zijn ook de verhalen, liedjes en werkjes die alles tot een geheel smeden.
En zo is het ook nu weer met Sint Jan. Bloemen, gras, veel van de natuur komt binnen. De zon en natuur wordt bezongen. Johannis, Jorinde en Joringel en de 7 raven. Alles werkt mee om een feest tot optimale indruk te maken, een inademing, dat na het feest overgaat in een ontspannen uitademing. De oudsten gaan naar de eerste klas, en nemen afscheid van hun jongere klasgenoten en van mij. Ze gaan hun eigen weg, samen met een nieuwe juffie. Een mooie periode wordt afgerond en de natuur wacht. Het is nu tijd om een te worden met en tot rust te komen in de natuur, om te spelen met de elementen ver van verkeer en lawaai.


















Van Herfst Tot Zomer
Voorpublicatie uit het boek "Van Herfst Tot Zomer", dat in het voorjaar van 1999 bij uitgeverij Christofoor zal verschijnen. auteur: Frederik Tak
Verschenenen in de schoolkrant V.S. Den Haag St. Jan 1998

Sint-Jan is het laatste jaarfeest van het schooljaar. Het is een blij feest, met bloemenkransen, zang en dans, met vuur en vrolijkheid. We genieten van zon en buitenlucht, in een welhaast zorgeloze stemming. Maar, is dat het? Is dat het hele Sint-Jansfeest, met z'n allen gezellig plezier maken rondom een vuur? Of is er ergens een diepte aanwezig, een onderstroom die we niet direct herkennen?
Laten we eens bekijken wat in het algemeen de jaarfeesten kenmerkt. Het ritme van de natuur, van de aarde, zou je in eerste instantie zeggen. Een ritme waarin wijzelf meebewegen. Zo ervaren we in de herfst en de winter een weg naar binnen. Letterlijk door ons steeds meer in ons huis terug te trekken, figuurlijk door in toegenomen concentratie ons op onze taken toe te leggen. Overeenkomstig bewegen we in de lente en de zomer meer naar buiten. Tegelijk met het groeien en bloeien van planten en struiken zoeken we meer de buitenlucht op, denken aan vakantie en ontspanning en laten onze doelen wellicht even wat vieren. De jaarfeesten nu vormen een soort ankerpunten in het jaar waarin het ritme van de natuur even scherp naar voren komt. Ze maken ons wakker voor wat op dat moment vanuit de natuur op ons toestroomt.
Er is echter meer aan de hand. Bij het bewust en doorleefd vieren van de jaarfeesten vindt er nog iets anders plaats. We beleven in onszelf dan juist iets wat recht tegenover de uiterlijke natuur staat. Zo laat het Michaels-feest ons inzien hoe we tijdens de afbraak in de uiterlijke natuur juist dan innerlijke motieven of idealen kunnen ontwikkelen. Het Kerstfeest op haar beurt brengt ons temidden van de diepste duisternis het geschenk van het grote licht. En het Paasfeest, dat het begin van de lente ofwel van het nieuwe leven markeert, laat ons stilstaan bij de kruisiging en de dood van Christus. Kennelijk is er steeds sprake van een tegenbeweging. Deze tegenbeweging is ook steeds innerlijk van aard, en precies tegengesteld aan het uiterlijke natuurbeleven. Dat is opmerkelijk. Een extra spannings-boog ontstaat hier. Het lijkt er op dat we onszelf innerlijk het sterkst beleven als we met een uiterlijke tegenpool geconfronteerd worden.
Hoe zit dat bij het Sint-Jansfeest? Het is midzomer, de zon staat op haar hoogtepunt aan de hemel. We geven ons over aan licht en warmte, aan strand en water, aan bossen en buitenlucht. We ervaren de ontspanning, het even niet zo nodig hoeven. Daarbij maakt zich vaak een zekere loomheid van ons meester. Zeker als de temperaturen boven de dertig graden komen, worden we enigszins dof in ons bewustzijn.
Sint-Jansdag (24 juni) is de dag van Johannes de Doper. Hij was het die Jezus tot Christus doopte in de Jordaan. Hij was het, met zijn grote gestalte dat zoveel licht en warmte in zich droeg, die zichzelf in dienst stelde van diezelfde Christus. In zijn eigen woorden:
"Hij moet groeien, ik moet afnemen".
Sint-Jansdag is de tegenpool van de Kerstnacht. Het uiterlijke licht en de uiterlijke zonnewarmte staan hier tegenover de geboorte van een nieuw innerlijk licht in de diepste duisternis. Johannes maakt zijn eigen persoon ondergeschikt aan dit nieuwe licht dat komen gaat. Alsof hij wil zeggen: laat het licht van mijn en onze uiterlijke zon afnemen, probeer de Christus-impuls (de innerlijke zon) te laten groeien.
Zo is het Sint-Jansfeest bij uitstek het feest van de tegenpolen. Het vormt het centrale thema daarin. De natuur treedt maximaal naar buiten. Het is verleidelijk voor ons daarin mee te gaan. Niet alleen door ons aan de zon zelf over te geven (op het strand bijv.), maar ook door een vergrote gerichtheid op onze aards gebonden ik (onze uiterlijke zon). Om onszelf niet te veel te verliezen, in zelf-genoegzaamheid, in oppervlakkigheid, is het essentieel juist in de Sint-Janstijd ons bewust te worden van ons eigen "innerlijk licht". Dat probeert Johannes de Doper ons aan te reiken."Hij moet groeien, ik moet afnemen".
Zoals dat ook in de natuur gebeurt: vanaf Kerstmis worden de dagen weer langer, schijnt de zon geleidelijk meer, vanaf Sint-Jansdag worden de dagen juist korter, schijnt de zon dus minder.
De periode rond het Sint-Jansfeest vormt de tijd van ommekeer. Zowel voor ons persoonlijk, als in de natuur. Het zijn niet onze persoonlijke successen in de uiterlijke wereld die ons verder brengen. Die doen er in feite niet toe. Uiteindelijk valt dat weg, neemt dat af, precies zoals het aantal uren uiterlijk zonlicht afneemt. Sint-Jan roept ons op ons naar binnen te keren, om het vuur en het zonlicht in onszelf te ervaren.
Zo kan de boodschap van het Sint-Jansfeest gezien worden. Geef juist in deze tijd van het je overgeven aan de buitenlucht, van erop uit .
Vrije gedachteAl geruime tijd is er voelbaar dat deze wereld een ander bewustzijn nodig heeft. Meer in overeenstemming met de wetten van de natuur. Haar eer betonen door haar gulle gaven met volle teugen in ons op te nemen. Met respect voor haar begaanbaarheid, haar overvloed, haar ruigheid, haar ontoegankelijkheid, haar vrijgevigheid. Juist in de groeiperiode van lente kunnen we ons verbazen over de innerlijke kracht van planten den dieren om zich naar hun eigen plan te ontvouwen.
Zoals onze kinderen een inner-lijke ontwikkelingspotentie in zich dragen. Wij als ouders en opvoeders willen die wakker maken en mede vormen tot uitdrukkingen van een innerlijk vrij mens. Meer nog als voorheen wordt ingezien dat kinderen die ons gegeven worden, zielen zijn met sporen van een hogere wijsheid dan wij vaak vermoeden. Aan ons de moeilijke, maar dankbare taak om hen in liefde en respect te begeleiden.
Rudolf Steiner, die zelf door een bovenzinnelijk schouwen tot zijn inzichten is gekomen, is nog steeds voor o.a. de Vrije Scholen een belangrijke bron van inspiratie. De belangrijkste lering van hem, die nu ook onderschreven wordt door "nieuwe-tijds" inzichten, is dat wij allen een ziel in ons dragen die d.m.v. aardgebonden ervaringen tot meer lichtkracht kan komen. Met Sint Jan vieren we dit aspect van bewustwording. De oudste kinderen wagen de sprong over het vreugdevuur. Zij dragen nu hun verworven kennis en inzichten in zichzelf en de wereld verder, als zaad wat weer zal ontkiemen in de "hogere" school. Waar nog meer zelfstandigheid en eigen wil wordt aangesproken naast gevoel ontwikkelen voor de wereld om hen heen. trekken, vakantie vieren, het innerlijke leven een kans zich te ontwikkelen. Word je temidden van de zomerse ontspanning bewust van de tegenpool in jezelf. Vorm de uiterlijke zonneschijn, die ons loom en dof maakt, om tot een wakkere innerlijke warmte en liefde voor het leven.


Sint Jan: keerpunt in het jaar
auteur: Gerdina Matthiessen
Verschenenen in de schoolkrant V.S. Den Haag St. Jan 1999

Op 24 juni wordt de naamdag van Johannes de Doper gevierd. Hij is de enige heilige op de oude kerkelijke kalender van wie niet de sterfdag wordt gevierd, maar de geboortedag. In de geboorte herkennen we ook dat punt van ommekeer, het begin van iets nieuws. Johannes de Doper is de laatste machtige profeet van Israël, de verkondiger van een nieuwe tijd, de profeet van de ommekeer. Met de zomerzonnewende bereikt de natuur haar hoogtepunt; het ogenblik van haar grootste ontplooiing. De aarde overschrijdt haar grenzen en is eens geworden met de hele kosmos. Het is eigenlijk een terugkeer van onze planeet tot de oorspronkelijke toestand in een heel ver verleden.
Zoals de zon een mantel van warmte om de aarde heen legt, zo was ook het bovenmenselijke wezen van Johannes; een vlammend vuur, nog stammend uit de oude Saturnustijd, de oertijd waarin de mensen op zielengebied nog heel groot waren. De sprookjes en mythologieën noemen het reuzen. In die tijd werden de mensen nog geheel omhuld door de vaderlijke Godheid, de oorsprong van de wereld. De evolutie maakte het noodzakelijk, dat het zielenwezen van de mens moest "inkrimpen", niet meer buiten zichzelf mocht blijven, maar binnen in ons. Het was het proces van bewustzijnswording. Er trad verharding op. De verhalen uit het oude Testament geven hiervan prachtige voorbeelden. In die tijd waar de "verstarring" van de mensheid het grootst was, werd Johannes geboren; de "wegbereider van Christus". Hij doopte de mens en zelfs Jezus door algehele onderdompeling in het stromende, beweeglijke water van de Jordaan. Zijn opdracht was om de mensen te wijzen op een nieuwe orde, op het Rijk dat komende was en de mens de mogelijkheid gaf om afstand van het oude te doen en het nieuwe met "frisse ogen" te bekijken. Hij was niet langer dan een jaar werkzaam. Maar in die tijd was hij een brandend vuur, met een reusachtige uitstraling.
Het is belangrijk om in te zien dat, hoewel wij nu in ons wezen werkelijk gereduceerd zijn, wij ook nog de gave van de oorspronkelijke grootheid in ons dragen. Wanneer wij naar een kind kijken, heeft het in het begin weliswaar een klein fysiek lichaam, maar levenskrachten en ziel zijn nog zo groot als de wereld. Daarom is een kind in zijn bovenzintuiglijke gestalte groter dan een volwassene; het lijkt op de zomerse aarde. De volwassene is alleen groter wanneer hij slaapt. Dan groeit hij weer reusachtig boven zichzelf uit. In het kind en in de slapende volwassene straalt nog iets uit van die oude, grote mens die hij eens was. Zoals Johannes de Doper zei, dat hij moest afnemen en Christus moest groeien, zo kunnen wij dat opvatten, dat de hogere mens in ons kan groeien wanneer wij bereid zijn ons zelf een stuk terug te nemen.
Toen ik onlangs met mijn klas over het Sint Jansfeest sprak, zag ik, dat ieder kind met een ruk omhoog ging zitten. Het kampvuur en daarover springen door de 7e klassers is voor hen een van de hoogtepunten uit het jaar. Wat maakt, dat kinderen zo gefascineerd zijn door het vuur? Veel jongere kinderen kunnen niet van het vuur wegblijven. Ze worden er magisch door aangetrokken. Geen vermaning helpt. Zo gauw ze de kans krijgen stoken ze een "fikkie". De ernst die je dan ziet op de gezichten zet je aan het denken. Is het misschien nog een herinnering uit de wereld waar zij vandaan komen? Zijn ze misschien nog niet opgewassen tegen de aardse dingen? Je kunt hierover veel vragen stellen, maar zeker is dat ze ons iets duidelijk willen maken niet door woorden maar door vuur.
Wij hebben de gewoonte dat alleen de 7e klassers met hun ouders en leerkrachten over het vuur mogen springen. Het is niet alleen hun laatste jaar bij ons op school, maar zij staan ook in het veertiende levensjaar. Een nieuwe fase is aangebroken. De kindheid hebben ze achter zich gelaten; de "aarde-rijpheid" is voltrokken. Het mag duidelijk zijn, dat voor hen het springen over het vuur heel belangrijk is. Ook het begeleiden door de ouders is eveneens belangrijk. Ze kunnen hun weg immers nog niet alleen gaan. Graag wil ik hiermee de wens uitspreken, dat al onze 7e klassers met een "vurig enthousiasme" de komende zeven jaar in de wereld zullen staan.


Pinksteren en Sint Jan
verschenenen in de schoolkrant St Jan 2001auteur: Ellie Bus
Pinksteren heet een inspirerend feest te zijn, een tijd van bloei, interessante ideeën, liefde, bruiloft, kortom het feest van het nieuwe. De nachten zijn nog koud, de wind is nog fris, het fluitenkruid en boterbloemen van de wereld één grote bruid, vooral als de zon schijnt.
Dit jaar was het voorjaar zo allerbelabberdst dat je elke zonnestraal wel zou willen vangen en koesteren als oude bomen in een nieuwbouwwijk. Gelukkig is het de afgelopen periode stukken beter en met die zon zal Pinksteren een groot feest zijn. Dan, na zo'n heerlijk buitendansfeest, glijden we bijna ongemerkt richting grote vakantie. Maar voordat het zover is nog een geweldig hoogtepunt. Sint Jan op 24 juni, met een totaal ander karakter dan Pinksteren.
De warmte verdrijft de frisse ochtenden, het broeierige doet zijn intrede. De bomen hebben hun genuanceerde groenen, die de lente zo aantrekkelijk maken, verloren in een egale toon van donker gebladerte. Het lover reikt tot over de horizon en het vers gemaaide gras ruikt verrukkelijk. De vogels zijn uitgevlogen en muggen en vliegen dansen indringend rond. Vooral 's avonds kan dat lastig zijn. Als je tijdens de Sint Jan tijd het bos in loopt is het er donker en vochtig. De zonnestralen reiken niet meer tot op de grond. Kom je vanuit het bos in het felle licht, dan moet je je ogen dichtknijpen, overvallen door zoveel licht. De grote tegenstelling licht/duisternis is juist nu zo goed te voelen, maar ook die grote aantrekkingskracht van het licht en de warmte. Het lijkt ook wel of de zon niet meer ondergaat en eigenlijk zou je er bij willen blijven.
In het noorden van Europa is dat ook zo. Geen echt ondergaande zon meer, grote midzomerfeesten. Maar Sint Jan op 24 juni is al over dat hoogtepunt heen van midzomer de 21ste. De dagen korten. Juist in de zomer, waarin we onszelf dreigen te verliezen in de uitbundigheid van zon en natuur, is er toch iets in ons wat het evenwicht zoekt tussen uit en thuis, helemaal los, gepassioneerd of juist rustig met je benen op de grond. Meegaan in het vuur van Sint Jan is heerlijk. Maar ook gewoon weer naar huis en op tijd naar bed, want morgen is er gewoon weer school. Iets doet Sint Jan, iets bijzonders. De inspiratie van Pinksteren door de Heilige Geest, die in de gedaante van een duifje naar de aarde kwam, is verder gegroeid en heeft ons tijdens de uitbundigheid van Sint Jan nog meer gebracht, namelijk het aanraken van de hemel, de warmte van het hart en de verbondenheid naar andere mensen. Dans mee rond het vuur en ervaar het.

Johannes en Michael
Johannesspreuk
De glans van schoonheid over de werelddwingt mij uit diepten van mijn zielmijn eigen goddelijke krachtente bevrijden tot wijde vlucht;mijzelve te verlatenom vol vertrouwen mijzelf te zoekenin wereldlicht en wereldwarmte

Het Johannesfeest (24 juni) wordt gevierd op de feestdag van Elias/Johannes de Doper, die geweldige individualiteit, die de voorbereider is van de Christus in zijn komst op de Aarde. De oude Mens is in zijn laatste dagen gekomen in de tijd dat de Doper predikt. Hij zegt dan ook: "Ik moet afnemen, Hij moet wassen" wijzend naar de nieuwe Mens die door de Christus in hem aarde en mensheid een nieuwe vorm zal geven. Voorlopig kan de huidige mens dat nog nauwelijks begrijpen, laat staan uitvoeren. Hij volhardt in zijn achterhaalde, uitsluitend op de materie gerichte denken en gedraagt zich daardoor als de oude mens in Egypte. Wat in die tijd terecht plaatsvond nl. de mummificering van het menselijke lichaam, wordt nu vertaald in behoudzuchtigheid, autoriteitsgeloof dat leidt tot mummificering van het menselijk levenslichaam: we worden nooit meer ziek! We gaan nooit meer weg van de aarde! De dood overwonnen door de automaat.
In de zomer is de aardeziel over de kosmos uitgebreid en de mensenziel reist met haar mee in verre verten. Eerst langzaam komt de mensenziel weer tot zichzelf. In de maand september als de uitzinnigheid weer voorbij is komt de mens zijn zielsproblemen weer tegen. Daardoor gefascineerd vergeet hij datgene wat hij in de zomergeesteswerelden heeft ervaren en dat nu tot hem wil spreken in michaëlische heldere beelden die hem door zijn denkende intuïtie willen vervullen.Michael, de Stralende, heeft de mensenzomergedachte omgezet tot wereldherfstkracht die het daadleven doorgloeit. Het Michaelsfeest dat op 29 september thuishoort, moet nog een echt jaarfeest worden: de mensen van deze tijd kunnen daaraan werken. Het juiste zelfgevoel is daarvoor nodig. Het besef dat in de gewone 'dagelijkse' mens de goddelijke mens leeft, die zich éénvoelend met het etherische Christuswezen in staat is de aarde en de menselijke cultuur te redden van de geestelijke hongerdood. Michael die zwijgend wacht op de mensendaad, schenkt ons de Moedkracht om die daad, die ogenschijnlijk onmogelijk is, toch te volbrengen.

Henk Gerbrands

Michaelsspreuk
Natuur, Uw moederlijk bestaanik draag het in mijn willend wezen;en vuurkracht van mijn willenkan nu mijn geestkracht stalen,waaruit het zelfgevoel geboren wordtmijzelf in mij te dragen.
Rudolf Steiner

Bron: Stichting KoreCentrum voor Homeopathie en Antroposofie

Sint JanHet licht van de zon doorstroomt de weidsheid van de ruimte,
Het gezang van de vogels doorklinkt bet domein van de lucht,
De zegen van de planten ontkiemt uit het aardewezen,
En mensenzielen verheffen zich met gevoelens van dankbaarheid tot de geesten van de wereld.
Rudolf Steiner

Het begin van de zomer komt dichterbij. De zon bereikt haar hoogste punt en voor je het weet overstraalt zij de aarde met haar felle gloed. We hebben er in de afgelopen weken al van kunnen proeven! Het lange licht van de dag heeft de duisternis van de nacht nagenoeg verdrongen. Als de regenwolken met hun zomerse buien door de wind verdreven zullen zijn, kun je de warmte weer boven de aarde zien trillen, in de rust van een zomerse dag.
De bomen zijn nu zwaar van het lover, het sappige groen van de jonge voorjaarsscheuten begint over te gaan in het donkere groen van het dichte gebladerte van de volle zomer. De bloemen verspreiden zware geuren, die soms, bij een wandeling of een fietstocht, als een wolk van geur je neus opzoeken. Het koren staat nu hoog op de velden, de kracht is in de aren geschoten, en hier en daar begint het al iets geler te worden, een zekere verharding begint hierin merkbaar te worden. De keer in de gang van de natuur kondigt zicht hierin aan. De vogels matigen hun gezang. Zij worden rustiger nu het jonge broed is uitgevlogen en zijn eigen weg gaat, zodat het voortbestaan van de soort verzekerd is.
In de plaats van de uitbundigheid van het voorjaar is de volheid van de rijpe zomer gekomen. De aarde verzadigt zich in volle overgave aan de kosmische invloeden. De planten hebben hun volle wasdom nu bereikt, het groen heeft zich volledig ontplooid. Zij hebben gebloeid, de vrucht is gezet, de rijping begint. Het is hoogtij in de natuur! De plant en de mens kunnen wij eens nader bekijken. De plant omvat de vier elementen van het leven: Met de wortels doordringt de plant de aarde, het minerale rijk, de vaste stof. Hier vindt de plant de basis van het leven. De stengel voert de sappen, het vloeibare element, omhoog. Daarmee brengt hij de levenskracht brengende substanties naar alle delen van de plant. De stengel is de drager van het leven. In de bladeren treedt de plant in verbinding met het element lucht. Daardoor ontstaat er een wisselwerking met de omgeving. Het blad geeft het eigen karakter aan de plant. Daardoor ontstaat de vorm van het leven. In de bloem opent de plant zich voor het instralende licht en de rijpende warmte. Daar zoekt de plant de krachten, die van buiten de aarde komen, de kosmische krachten, de kracht van de zon, de bron van het leven op aarde.

Ook in de bouw van de mens zijn de vier elementen werkzaam: Het skelet is de drager van het menselijk lichaam. Het is gevormd uit de stoffen van het minerale rijk. Het bloed is de drager van de levenskrachten, maar ook van driften en hartstochten, van moed en trouw, maar ook van haat en afgunst. Het bloed behoort tot het vloeibare element. Door de zintuigen krijgt de mens verbinding met zijn omgeving, de mogelijkheid om kennis op te doen, maar ook om begeerten op te wekken. Hier werkt het luchtelement. In zijn geestvermogens ontvangt de mens de invloeden van de geestelijke wereld, wanneer hij zich daarvoor openstelt. Hier ondergaat de mens de werking van het warmte-element.

In plant en mens vinden we dezelfde scheppingsprincipes. Maar tegenover deze diepe overeenkomst staat een groot verschil; De plant is aan een vaste plaats en een vaste vorm gebonden, zichzelf herhalend van jaar tot jaar. De mens daarentegen is vrij, beweeglijk en hij heeft in zich een scheppend vermogen. Daardoor zijn mensen onderling zo verschillend. De plant volledig onderworpen aan de hogere machten, die hem schiepen, die zijn ontwikkeling leidden. De mens heeft vrijheid verworven, maar daardoor heeft hij zich losgemaakt van de hogere machten. Hij heeft zichzelf tot een zelfstandig, zelfbewust wezen gemaakt. Hij kan werken uit vrije wil. Maar daardoor heeft hij zich blootgesteld aan de mogelijkheid van fouten maken, van boosheid/ doordat hij de krachten die in hem werken niet volledig kan beheersen. Door je bewust te bezinnen op je oorsprong, door te zoeken naar de werking en leiding van de geestelijke wereld, door driften en zelfzucht te leren beheersen, kun je als mens louteren. Dan schep je zelf de mogelijkheid om je tot volle menselijkheid te ontplooien, d.w.z. jezelf tot bloei brengen in alles wat je doet en daardoor je leven vrucht doen dragen op allerlei gebied. Want: zoals een tak geen bladeren of bloemen kan dragen uit zichzelf, maar alleen als hij blijft aan de boom, waartoe hij behoort, zo kan ook de mens alleen leven, wanneer hij zich verbonden houdt met zijn oorsprong.
Na de zomerzonnewende vieren wij op 24 juni het Sint Jansfeest, Sint Jansdag, de geboortedag van Johannes de Doper. Volgens de bijbelse verhalen was hij voor de mensen de grote wegbereider voor Christus. Hij was de zoon van de oude priester Zacharias en de bejaarde Elisabeth, beiden dragers van het oude geloof. Levend in de dorre omgeving van de Jordaan, de rivier wiens loop de levensloop van het Joodse volk bepaalde, is hij temidden van de oude verstarrende cultuur, de roeper inde eenzaamheid, die de nadering van de nieuwe tijd aankondigde.
Hij, die zich voedde met de harde vruchten en honing (producten die gerijpt zijn door de zonnekracht), verkondigde de komst van het Licht, in de duisternis van een cultuur, die geen kracht tot verder ontwikkeling meer in zich had. Tot hem kwamen zij, die de "overrijpheid" van de oude cultuur voelden, de bewoners van Judea. Hij doopte hen met het water van de Jordaan, hij bracht hen terug tot de oorsprong van hun wezen. Daarbij wees hij op het nieuwe licht dat op komst was, en dat een nieuwe cultuur zou doen ontkiemen.
"Hij moet groeien, ik moet afnemen!" Dit Sint Jansmotief vinden wij ook terug, als wij meeleven met de loop van de zon: het uiterlijke zonlicht neemt vanaf de Sint Jansdag af, het innerlijke zonlicht moet nu weer gaan groeien, tot wij precies een half jaar later, na de winterzonnewende, Kerstfeest vieren, de geboorte van de goddelijk-geestelijke zon. Om voor kinderen deze samenhang zichtbaar te maken, zou een oud gebruik weer in ere hersteld kunnen worden: droog de bloemenkrans, die op het Sint Jansfeest gedragen wordt, en gebruik deze een halfjaar later als hooi voor de kribbe in de kerststal!

Bron: Website V.S. Krimpen aan de Ijsel

Voor leuke ideeën rond de jaartafel en knutsels, ga naar:

Hier vindt jij liedjes, spelletjes, spreuken en knutselideeën!

Het licht van de zon doorstroomt De wijdsheid van de ruimteHet gezang van vogels doorklinktHet domein van de lucht De zegen van de planten ontkiemtUit het aardewezenEn de mensen zielen verheffen zichMet gevoelens van dankbaarheidTot de geesten van de wereld
R. Steiner

Hoe zijn de kinderen in deze tijd, hoe is hun spel en welke spelletjes doen we in de klas. Door de zon zien de kinderen er gezond en evenwichtig uit. Het jaar is bijna ten einde en ze maken een gelukkige indruk. De oudste kinderen, vooral die kinderen die een jaartje extra waren houden het fantasiespelen voor gezien en willen "doen". Ze timmeren, werken aan opdrachtjes, maar de jongeren zijn nog helemaal in de weer met kabouters, poppen en het spel maakt me altijd weer gelukkig. De concentratie en overgave, het vrije van de kleuter, neemt me mee ook al kijk ik er alleen maar naar. De warmte die daardoor ontstaat ervaar ik als een geschenk.

dinsdag 8 juni 2010

Hemelvaart

Hemelvaart
Schildering van Emma Munneke


Voorpublicatie uit het boek "Van Herfst Tot Zomer", dat in 1999 bij uitgeverij Christofoor zal
verschijnen.auteur: Fred Tak . Verschenenen in de schoolkrant Pasen 1999
Met Hemelvaart herdenken we dat Christus, veertig dagen na zijn opstanding uit het graf, van de aarde opsteeg richting de hemel. De apostelen zagen hoe een wolk hem opnam en hem aan hun ogen onttrok. Sindsdien heet het dat Christus vanuit "wolkenhoogten" met ons is "tot aan de voleinding der wereld".
Opmerkelijk is dit. Christus is niet tot in de hemel gegaan, niet tot naar zijn oorsprong, maar in de ruimte tussen hemel en aarde blijven verkeren: op wolkenhoogten.
 Bij Johannes de Doper vindenwe iets  soortgelijks. Toen deze Jezus in de Jordaan doopte zag hij "de hemelen scheuren". Een tussenruimte werd gevormd, van waaruit een lichtende duif naar beneden daalde. Wat moeten we ons daarbij voorstellen, bij wolkenhoogten en tussenruimte?


Wolken ontstaan, zoals bekend, in een samenspel tussen zon en aarde. Zonnewarmte doet (zee)water tot wolken verdampen. Hieruit valt op den duur regen, sneeuw of hagel naar beneden. Vervolgens vloeit het water dat op vasteland is gevallen door rivieren weer terug de zeeën in. Deze kringloop van zon inwerkend op zeewater, wolken, regenwater boven vasteland, rivieren die het terug laten vloeien, zou je het levende organisme van de aarde kunnen noemen. Zonder deze kringloop zou leven op aarde niet mogelijk zijn. Waar alleen zon de aarde beschijnt, verschroeit het leven. Waar de zon nooit schijnt, kan niets groeien. Om de aarde vruchtbaar te laten zijn, zijn wolken onmisbaar: ze vormen het noodzake-lijke intermediair tussen zon en aarde, of breder gezien, tussen hemel en aarde. Dit intermediair vormt een ruimte op zichzelf, een tussenruimte, voorwaarde voor het bestaan van al het leven op aarde.
Zo bezien begint het al een beetje te dagen waarom Christus daar zijn zetel genomen heeft, en aldus deel uitmaakt van dit levende aarde-organisme.
Laten we nu eens bij onszelf kijken, in onze binnenwereld. Daar kunnen we ook een hemelse en een aardse kant ervaren. Met de hemelse kant hebben we geen moeite, maar het aardse ten volle te erkennen in onszelf valt in de praktijk niet mee. We kijken liever de andere kant op, weg van onze schaduw, richting de zon. Om diep in onszelf af te dalen is moed nodig. Want leuk is het daar niet.
Iedereen spreekt schande van oorlogsmisdaden, toenemende criminaliteit etc., maar in feite zijn wij zelf tot minstens even gruwelijke dingen in staat. In ieder van ons schuilt de dief en de moordenaar. Dit ten diepste in te zien vraagt het uiterste van ons. We zijn gewend alleen onze goede eigenschappen te zien. Daaraan ontlenen we ons zelfbewustzijn.
Wanneer ons dit echter lukt, dit erkennen van het duivelse in onszelf, en wij accepteren het als een deel van ons wezen, dan zijn we bezig tussenruimte te creëren. Die tussenruimte is onze innerlijke verbinding tussen het aardse en het hemelse. Het is een gebied op zichzelf, waarin het wezenlijke zich openbaart. Dit uit zich in een eerste mildheid, jegens onszelf, jegens anderen. Vanuit die mildheid oordelen we niet zo snel meer over anderen, want we weten hoe we zelf zijn.
Oscar Wilde heeft eens gezegd: een zondaar en een heilige zijn dezelfde mensen; alleen heeft de heilige een verleden achter zich en de zondaar een toekomst voor zich. Met andere woorden we kunnen als mens slechts tot het hemelse komen door eerst in de hel af te dalen. Zoals Christus op Paaszaterdag eerst de hellevaart ging, vervolgens uit den doden opstond, en daarna pas ten hemelvaart voer. Die weg hebben wij allen te gaan, of we dat nu willen of niet.
In verkleinde vorm ervaren we zoiets ook bij ziekte of lijden. Wanneer we hersteld zijn of ons gelouterd voelen, ervaren we onszelf vaak lichter en beter dan ervoor. Alsof iets binnenin ons, een ziektekiem (een stukje duisternis), zich heeft vrijgemaakt en is losgekomen. Voorwaarde is overgave aan de ziekte, aan het lijden. Ofwel, erkenning en acceptatie van de (kleine) hel in onszelf.
Met die veroverde mildheid in onszelf zullen we een ander nu anders tegemoet treden. We scheppen als het ware ruimte tussen ons en de ander. Deze ruimte verbindt bij beiden de aardse kant met het hemelse, tegelijk. Dat is uniek, omdat hierdoor een soort van resonantie ontstaat. Een gebaar, een blik van verstandhouding, een woord of een zin, krijgt een extra lading nu. Er gebeurt iets in ons, in de ander, iets dat ons treft en dat we als wezenlijk beleven. Er licht iets op, in beiden, een herkenning, een mild geluk. We voelen ons opgetild en ervaren een intens begrip voor de ander, voor wat hij aan mogelijkheden in zich draagt.
Die ontstane ruimte kun je zien als een vrij gebied tussen mij en de ander. Zeg maar een uitwisselingsgebied. Deze zorgt nu voor het wezenlijke in de ontmoeting, en niet zozeer mijn eigen ik of dat van de ander. Daar, in die tussenruimte vindt de levende en vruchtbare ontmoeting plaats. Wat deze tussenruimte kenmerkt is aandacht en vrijheid. Eerbied, zullen sommigen zeg-gen. Aandacht voor de ander, met tegelijkertijd een terugtreden van onszelf. De ander wordt volledig in zijn waarde gelaten. Zodat deze in vrijheid op ons terug kan reageren.
Als aan deze voor-waarden is voldaan, merk je hoe onverwachts een vonk kan overslaan, hoe licht en ruim alles wordt, op het zorgeloze af. Alles kan, alles is mogelijk, voor een moment. Er worden geen claims gelegd, geen verwachtingen gedacht of uitgesproken.
Elk oordeel of vooroordeel ontbreekt. De inzichten stromen binnen. Hier gebeurt het, zo voelen we, hier ontstaat pas echte interesse voor de ander, voor onszelf, voor al wat leeft en wil groeien.
Christus: "Waar twee of meer mensen in mijn naam tezamen zijn, daar ben ik in hun midden". Die tussenruimte, dat vruchtbare, levende gebied van zorg, acceptatie en vrijheid, die verbindt mensen, die verbindt onszelf met al onze wezensdelen. Christus in mij, noemt de apostel Paulus dit.
Laten we even teruggaan naar hemelvaart. Deze vindt plaats veertig dagen na Pasen, carnaval veertig dagen ervoor. Hemelvaart is zodoende de spiegeling van carnaval om het paasfeest heen. Bij carnaval werden we ons bewust dat onze aardse persoonlijkheid slechts een masker is dat het hemelse (het geestelijke) omsluiert. Met Pasen gingen we door de dood van dit masker heen en ontwaakten we tot het nieuwe geestelijke leven. Met hemelvaart nemen we al het (donkere) aardse volbewust mee op naar omhoog, naar het licht. De duisternis wordt daar omgewerkt. Niet door het af te stoten, maar door het te erkennen, door het lief te hebben. Zoals Christus de mensheid liefhad door vrijwillig door de duisternis van de dood heen te gaan, en ons daarmee de weg bood het contact met de hemel te herstellen. Dit licht, dat duisternis in zich opneemt, is liefde. Dat zal onze hemelvaart zijn, onze eigen gang naar "wolkenhoogten" door onze aardse persoonlijkheid heen tot en in die liefde te komen.

Pinksteren en Sint Jan

Pinksteren en Sint Jan
verschenenen in de schoolkrant St Jan 2001 - Vrije School Oudorpauteur: Ellie Bus
Pinksteren heet een inspirerend feest te zijn, een tijd van bloei, interessante ideeën, liefde, bruiloft, kortom het feest van het nieuwe. De nachten zijn nog koud, de wind is nog fris, het fluitenkruid en boterbloemen van de wereld één grote bruid, vooral als de zon schijnt.
Dit jaar was het voorjaar zo allerbelabberdst dat je elke zonnestraal wel zou willen vangen en koesteren als oude bomen in een nieuwbouwwijk. Gelukkig is het de afgelopen periode stukken beter en met die zon zal Pinksteren een groot feest zijn. Dan, na zo'n heerlijk buitendansfeest, glijden we bijna ongemerkt richting grote vakantie. Maar voordat het zover is nog een geweldig hoogtepunt. Sint Jan op 24 juni, met een totaal ander karakter dan Pinksteren.
De warmte verdrijft de frisse ochtenden, het broeierige doet zijn intrede. De bomen hebben hun genuanceerde groenen, die de lente zo aantrekkelijk maken, verloren in een egale toon van donker gebladerte. Het lover reikt tot over de horizon en het vers gemaaide gras ruikt verrukkelijk. De vogels zijn uitgevlogen en muggen en vliegen dansen indringend rond. Vooral 's avonds kan dat lastig zijn. Als je tijdens de Sint Jan tijd het bos in loopt is het er donker en vochtig. De zonnestralen reiken niet meer tot op de grond. Kom je vanuit het bos in het felle licht, dan moet je je ogen dichtknijpen, overvallen door zoveel licht. De grote tegenstelling licht/duisternis is juist nu zo goed te voelen, maar ook die grote aantrekkingskracht van het licht en de warmte. Het lijkt ook wel of de zon niet meer ondergaat en eigenlijk zou je er bij willen blijven.
In het noorden van Europa is dat ook zo. Geen echt ondergaande zon meer, grote midzomerfeesten. Maar Sint Jan op 24 juni is al over dat hoogtepunt heen van midzomer de 21ste. De dagen korten. Juist in de zomer, waarin we onszelf dreigen te verliezen in de uitbundigheid van zon en natuur, is er toch iets in ons wat het evenwicht zoekt tussen uit en thuis, helemaal los, gepassioneerd of juist rustig met je benen op de grond. Meegaan in het vuur van Sint Jan is heerlijk. Maar ook gewoon weer naar huis en op tijd naar bed, want morgen is er gewoon weer school. Iets doet Sint Jan, iets bijzonders. De inspiratie van Pinksteren door de Heilige Geest, die in de gedaante van een duifje naar de aarde kwam, is verder gegroeid en heeft ons tijdens de uitbundigheid van Sint Jan nog meer gebracht, namelijk het aanraken van de hemel, de warmte van het hart en de verbondenheid naar andere mensen. Dans mee rond het vuur en ervaar het.

Hemelvaart - verhaal

De Paardenbloem als beeld voor Hemelvaart - een verhaal van Helgo Bockemöhl

Jij hebt vast al langs de weg tussen het jonge gras een cirkeltje met kleine getande bladeren gezien. Daar zie jij dan zo een bladrozet half liggend, half, rechtopstaand. Het zijn de bladeren van de paardenbloem.
Ze groeien in een kleine cirkel. Als jij konijnen of cavia’s hebt, heb jij vast al van die blaadjes gezocht om aan ze te geven om te eten. Sommige mensen eten ook graag de blaadjes in hun salade. In het midden van deze bladeren zie je hier en daar een knopje op een stengel naar boven groeit.
Wanneer jij de mooie paardenbloemen daar ziet, dan weet jij dat de ene bloem na de andere weg sterft. En eveneens hebt jij al gezien, wat er later van wordt: het veranderd in een donzig bolletje, een klein balletje. Dit broze, kwetsbare balletje vliegt uiteen als de wind waait of als wij zelf er op blazen. Wat een vreemde verandering maakt die zongele bloemetje toch door! Eerst sluit het zich en daarna komt het als iets anders te voorschijn. Niet als een gouden zonneschijfje opent het zich weer, maar als een luchtig bolletje dat makkelijk weer uit elkaar vliegt,
Nu groeien de paardenbloem onmetelijk groot. Zover als de wind waait, net zover waaien deze fijne zaadjes. Want ze kunnen heel gemakkelijk vliegen, die kleine valschermpjes! De wind maakt de paardenbloemenhemel groot en wijd. Net zo wijd als de zaadjes waaien kan! Het is een groot wonder dat het steeds weer gebeurt. Wij vinden het maar heel gewoon omdat het zo vaak gebeurt. Omdat wij het kennen vinden wij het heel gewoon Zo was het ook met de opgestane Christus. De discipelen hebben hem 40 dagen in hun midden gehad na zijn opstanding, Toen veranderde zijn wezen. Hij werd zo groot als de aarde en de hemel. De Heilige Geest spreidde zijn wezen zo wijd als de hemelen.
Als de fijne zaden van de paardenbloem zover en wijd verspreiden, dan kan men het de Hemelvaart van de paardenbloemen noemen. Ergens dalen de zaadjes op de aarde neer en worden later opnieuw paardenbloemen. Het wonder herhaalt zich telkens. Er komt een bladrozetje en daar vormen weer bloemknoppen aan stelen die zich weer omhoog trekken. De bloemen komen weer tevoorschijn en daarna komen de donzige zaadbolletjes tevoorschijn.
Toen Christus zo hemelwijd werd noemden men het Zijn Hemelvaart. Over heel de aarde gebeurde hetzelfde wonder, net zoals het in het heilige land gebeurde. Vanaf die tijd kunnen mensen Hem ook tussen hen op de aarde hebben. Dan zien ze zijn wezen oplichten en weten zij dat Hij bij hen is.
Helgo Bockemöhl

Geef toch kleine paardebloem,

je pluisjes aan de wind.

lk hoop dat ieder zaadje straks

een aardig plekje vindt.
En dat op al die plekjes

nieuwe plantjes zullen groeien

en overal hier om ons been

weer gele bloemen bloeien.

En dat die bloemen later,

aan het einde van hun leven,

hun pluisjes - net als jij

weer aan de wind mee zullen geven.

Mijmeringen rond Hemelvaart 2006 – Uit de nieuwsberichten van Bronlaak

Na zijn Opstandig wandelt de Christus nog 40 dagen over de aarde in een gedaante, die voor zijn leerlingen zichtbaar is. En dan komt het moment dat hij opgaat naar de hemel -in de geestelijke wereld. Het is geen "verwijdering "die er plaats vindt, maar hij verwijdt zich als het ware, waardoor zijn tegenwoordigheid verhoogd wordt en hij overal aanwezig kan zijn.

Ik blijf op zoek om dit alles te begrijpen en dat is niet makkelijk. Het ene moment denk ik o ja, ik kan het een beetje
bevatten en ervaren en het volgende moment zijn er alleen maar nog grotere vraagtekens.
Ik wil jullie een klein stukje meenemen op mijn zoektocht.

"Hij werd voor hun ogen opgeheven, een wolk nam hem op en onttrok hem aan hun ogen. En terwijl ze gespannen keken toen hij ten hemel voer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte gewaden en zeiden:"Mannen van Galilea, waarom staat gij daar en ziet gij op naar de hemel? Deze Jezus die van U opgeheven is naar de hemel, zal komen, zoals gij hem ten hemel hebt zien varen."
Deze worden kunnen wij in de Handelingen lezen.

Het Hemelvaartsgebeuren is verbonden met het beeld van de wolk - de hemel.
Wolken zijn constant in beweging, zich aan het vormen, weer uit elkaar aan het gaan, in elkaar overgaan, oplossen, verdwijnen en opnieuw vormen.
Wolken - lucht zijn ongrijpbaar, ik kan ze niet aanraken, vastpakken, maar ze zijn altijd aanwezig om ons heen en tussen ons.
In de hemelvaartstijd kan ik op zoek gaan wat er aan tussenruimtes ontstaat, wat zich afspeelt tussen mij en de wereld, tussen mij en de ander. Tussenruimtes moeten wij bewaken. Aan de tussenruimtes als ruimte tussen het aardse en het spirituele en in de ontmoeting met elkaar kunnen wij ervaren wat er werkelijk aanwezig is op dat moment.

Iets anders wat mij zo raakt in deze tijd van het jaar zijn de weilanden met de ontelbaar vele Paardebloemen. Als ik naar zo een weiland kijk dan voel ik op dat moment dat er niets mooiers bestaat dan deze goudgele zon zo dicht bij de grond. Zo mooi. Ik ben er weleens in gaan liggen....in een wei met Paardebloemen en boven mij de blauwe hemel met de wolken.......Geweldig.
Ik heb gekeken naar de groei - de ontwikkeling van zo een Paardebloem. De bladeren die als eerste zichtbaar worden en een soort krans - kroon - vormen voor de gele bloesem die zich alleen maar opent als de zon schijnt. In de loop van de tijd groeit de kwetsbare stengel die de bloesem draagt steeds hoger en ontstaan er vanuit de bloesem pluizenbollen met stervormige schermpjes - ook nu blijft de stengel groeien tot op een bepaald moment de wind deze sterrenzaden de wereld inblaast en zo in het komende jaar nog meer van deze zonnen onze aarde bedekken.
De paardebloem geeft mij zoveel.....voor mij steeds meer een beeld voor Pasen - Hemelvaart en Pinksteren.
Wie weet...misschien zijn er mensen onder jullie die daar iets mee kunnen.
Dan kunnen wij volgend jaar eens samen op een weiland met Paardebloemen liggen!?
Nu op dit moment zien wij heel veel pluizenbollen op de plekken waar een week geleden nog alles goudgeel was. En kijk maar wat er allemaal door de lucht waait. Je kan ze ook plukken( voorzichtig! en zelf de wereld inblazen, ergens komen ze neer op onze aarde en gaan misschien volgend jaar weer een zon op aarde worden.
Een mooie tijd
Dörte







donderdag 18 maart 2010

Van Palmpasen naar Pasen - Opstap naar Pasen

Van Palmpasen naar Pasen.


De zondag voor Pasen noemen we Palmzondag. Het is de dag die ons herinnert aan de inticht van Jezus van Nazareth in Jeruzalem. Veel mensen waren naar die stad getrokken om er het Joodse Paschafeest te vieren. Ze hadden gehoord over de vele wonderen die Jezus had verricht en kwamen hem nu jubelend tegemoet om hem als de langverwachte koning binnen te halen. Zij sneden palmtakken van de bomen en legden die op de weg. Het evangelie vertelt ons wat er daarna allemaal gebeurde tot de dood van Jezus en zijn opstanding.


Elk jaar weer lopen veel kinderen met een palmpaasstok door de straten. De stok staat voor de levensboom. Het symbool van de groei- en levenskrachten van de mens en de drager van de geest. De kruisvorm staat voor het Christus-symbool, terwijl de versierde hoepel het zonnerad symboliseert. De haan bovenop de stok is de verkondiger van de nieuwe dag. De kransen van rozijnen en andere versierselen (bijvoorbeeld gedroogde appeltjes en nootjes) zijn de symbolen van de dragers van het nieuwe levenszaad.

Ook de liedjes die we zingen met Palmpasen zitten vol symbolen.
Pallem pallem Pasen
ei - koer - ei
over ene zondag
krijgen wij een ei
een ei is geen ei
twee ei is een hallef ei
drie ei is een paasei

Eén ei is niets: ieder mens heeft de ander nodig. Twee ei is pas de helft van de mens, het zintuigelijke en lichamelijke deel. Drie ei is de drie-eenheid van lichaam, ziel en geest. Dat is het werkelijke paasei: de opstanding uit de dood.

Na de lange, donkere wintermaanden beginnen de dagen geleidelijk langer licht te worden, waardoor de aandacht weer meer op de natuur gericht kan worden. In sommige landen verdwijnt het sneeuwdek langzaam en beginnen de knoppen aan bomen en planten te zwellen. Hier en daar komen al de eerste plantjes uit de aarde te voorschijn.
Sibylle von Olfers heeft in haar prentenboek ‘het Verhaal van de Wortelkindertjes’ op treffende wijze voor kinderen weergegeven, hoe de wortelkinderen uit hun slaap bij Moeder Aarde wakker worden en als bloemenkinderen uit de aarde te voorschijn komen.
Zodra de natuur begint uit te lopen is de tijd voor het Paasfeest aangebroken, het feest van de opstanding uit de doodse materie. Het is een feesttijd die in bepaalde vormen al ver voor het begin van het Christendom bestond. Zij is terug te vinden in bijvoorbeeld de Griekse mythologie. Persephone, de dochter van Demeter, godin van de aarde, moet de ene helft van het jaar in de onderwereld wonen en de andere helft mag zij op aarde vertoeven. Zodra zij weer een voet op de aarde zet, begint de natuur weer op te bloeien. In de symbolen van het paasfeest vindt men tal van elementen die met het ontwaken van de natuur te maken hebben. Het ei is het meest bekende motief, maar ook broodvormen met hun prachtige vlechtmotieven horen daarbij.
Het Paasverhaal van de kruisiging van Christus en zijn opstanding is voor kleine kinderen nog te moeilijk te begrijpen. Voor hen moet men juist het element van het tot leven komen van de natuur naar voren halen: het feest van eieren, kuikentjes en lammetjes. Daar hoort ook de Paashaas bij. Al in de Germaanse mythologie brengt de haas de nieuwe kiemen voor het leven, de eieren, naar de aarde. Ook de haas als symbool voor het zich voor anderen opofferende wezen stamt al uit de oudheid en is ook terug te vinden in sprookjes.


Voorafgaande aan het Paasfeest vieren we het Palmpaasfeest. Het lopen met palmpaasstokken is al een heel oud gebruik. Het herinnert aan de intocht van Christus in Jeruzalem, toen het volk takken van de bomen haalde en deze op de weg neerlegde.
Er worden palmpaasstokken gemaakt en op vrijdag voor Palmpasen wordt er een wandeling mee gemaakt.  De oudere kinderen vieren dit feest op een manier die beter bij hun leeftijd past.

In de hogere klassen wordt verteld over de betekenis van het Paasgebeuren.

Enkele handige"Paasweetjes" en werkwijzen... • Eieren uitblazen.. Maak voor het uitblazen van de eieren allereerst aan de boven - en onderkant een gaatje met een speld of eierprikker. Deze gaatjes zijn nog te klein om het ei uit te blazen.Neem daarom een houten cocktailprikker of satestokje waarmee men de gaatjes in het ei voorzichtig groter maakt. Blaas het ei boven een bakje leeg en spoel het van binnen een beetje schoon door wat water in het gaatje te laten lopen en het er weer uit te blazen.Op deze wijze blijven er geen eiresten in de schaal achter. Zorg er wel voor dat er geen water in het ei achterblijft dat voor vervelende verassingen kan zorgen tijdens het schilderen.





• "Ophangsysteem"" van eieren... Bind na het versieren van de eieren een draadje garen stevig vast aan een klein stukje lucifer of dun ijzerdraad en duw het stukje lucifer met het uiteinde van het draadje door het gat in het ei.Als men nu het draadje omhoog trekt blijft het luciferhoutje dwars voor het gat zitten en zal er niet meer uit komen. Als het ei twee wat grotere gaatjes heeft, kan men er ook een dun lint doorheen rijgen en aan de onderkant een strik maken of een kraal vastknopen. Nu is het ei klaar om te worden opgehangen.






• Recept voor de broodhaan op de Palmpaasstok Benodigdheden: ± 500 gram tarwebloem of gebuild meel of een mengsel van beide 1/2 eetlepel gist, opgelost in 3 dl lauwwarme melk (niet boven de30 C) 50 gram harde boter 1/2 eetlepel (8 gr) zout 3 eetlepels suiker eventueel 1/2 eetlepel anijszaad. Werkwijze: het recept is voldoende voor ±8 haasjes, nestjes, mannetjes etc.Houd ca. 100 gr van het meel achter en doe de rest in een kom. Maak een kuiltje in het midden en giet het gistmengsel erin. Roer van het midden uit met een gedeelte van het meel tot een slap deegje. Snijd de boter in zeer dunne plakjes en leg deze op het deegje. Strooi het zout, de suiker en het anijszaad over de boter. Doe de kom in een plastic zak en laat het deegje bij kamertemperatuur tot tweemaal het volume rijzen; dit kan 20 min. of langer duren.Strooi de helft van het achtergehouden meel over het voordeegje en spatel het tegelijk met de inmiddels zacht geworden boter en het zout, de suiker en het anijszaad door het met een beetje meelbestrooide werkvlak en kneed het (niet te lang) tot het van de handen loslaat en stevig, soepel en elastisch aanvoelt.Kneed met de muis van de hand en draai het deeg af en toe een kwartslag.Leg het deeg weer terug in de kom en laat het op een koude plaats tot ± 2 maal het volume rijzen .Dit duurt ca. 3-4 uur .Koud gistdeeg laat zich beter vormen.Verdeel het gerezen deeg in 8 stukken en rol elk deegstukje tot een rol van ca. 18 cm. lang. Leg de rolletjes in een gebogen vorm op de bakplaat. Zorg dat er voldoende tussenruimte is voor het rijzen en maak de figuren vooral slank; door het rijzen worden ze vanzelf dikker. Knip met een scherp schaartje twee keer in het deeg voor de snavel.Knip vervolgens de beide uiteinden in voor de kam en de staart. Maak tenslotte met een scherp mesje een gaatje voor het oog en stop er een krent in.Verwarm de oven voor. Bestrijk de haantjes voor het bakken met losgeklopt ei. Bakken: ca. 20 min. bij 225 C, middelste richel.

De Stille Week - Opstap naar Pasen

De dagen van de Stille Week en de symbolen van Pasen



Palmzondag zon

De symbolen uit de tijd van de feesten der vruchtbaarheid vinden wij terug in de symbolen van de paasviering. Met Palmpasen herdenken wij de intocht van Jezus in Jeruzalem. Jezus wordt rijdend op een ezelin door de poort binnen gehaald en met palmtakken toegewuifd. De ezel is het symbool van het fysieke lichaam als drager van de geest en ziel. In de 9de eeuw is er voor het eerst in Nederland een palmprocessie aangetroffen. De palmtakken die in een mis werd gewijd, dienden na afloop van de processie als bescherming tegen alle vormen van onheil. Later werden ook de twijgen van de buxusboom gebruikt. In 1580 kwam aan het merendeel van deze processies een eind. Buiten de kerken om echter ging het volk door met haar eigen palmzondag vieringen. Volwassenen liepen de palmpaasoptocht samen met kinderen, die een kleurig versierde palmpasenstok met zich meedroegen. De palmstok kan de vorm hebben van een kleine meiboom (levensboom) doordat een rad rondom de stok is opgehangen. Ook gebruikt men wel van een kruishout dat geld als een Christussymbool. Boven op de stok prijkt een haan van brooddeeg. De haan als mythologisch dier is de heraut van de nieuwe dag. Hier kondigt hij de dageraad van het menselijk ik aan. Soms bond men een broodkrans, symbool voor de eeuwige geestelijke zon, aan de paasstok. Verder wordt de stok versierd met groen in de vorm van buxus, symbool voor het eeuwig leven omdat de buxus niet verdort.
De droge vruchten zijn behalve smakelijk ook de dragers van het nieuwe levenszaad. Aan de palmpaasstok hangen verder drie eieren, vaak kleurig beschildert. De oude Chinese wijzen leerden dat alles ontstaat uit drie dingen: twee krachten en het spanningsveld tussen beiden. “Een ei is geen ei, twee ei is een half ei, drie ei is een heel ei.” Denk in dit verband ook aan de drie-eenheid van lichaam ziel en geest en Christus is de waarheid, het leven en de weg. Het feest van palmpasen is het begin van de paasweek.


Maandag maan groei en kiemkracht

Jezus komt opnieuw in de morgen de stad binnen. Onderweg, komt hij met zijn discipelen in de buurt van de plaats Bethage. Bethage, het huis der vijgen, was een oord, waar het oude schouwen werd beoefend. Er wordt vermeldt dat Hij honger heeft en een vijgenboom vervloekte omdat het geen vijgen droeg. Jezus zegt tegen de boom: ”Laat er in eeuwigheid niet meer uit jouw vruchten komen.” De boom droogde onmiddellijk op. Hij wil hiermee de discipelen laten zien dat hij de oude, extatische schouwen afwijst. Het is geen liefdeloze vervloeking die hij uitspreekt. Het is voortaan belangrijk dat de mensheid de weg van het bewustzijn volgt. Dat leidt hem tot vrijheid. De oude, aan het lichaam verbonden helderziendheid was een gave van de maan. Het stond slechts ter beschikking van de mens wanneer hij in een niet wakende, dromende toestand verkeerde. De krachten dat door de vijgenboom verbeeld werden, zijn verouderd en achterhaald. De zonnekrachten zijn nu de werkende krachten geworden. Dat brengt het nieuwe, innerlijke licht tot de mensheid.
Vervolgens wordt er verteld hoe Jezus de tempel binnenkomt en de handelaren er uit jaagt.












Dinsdag mars daadkracht

Er vinden gesprekken plaats op deze dag. De golven van vijandigheid en van haatgevoelens slaan tegen hem op. Thans is de dag van Mars aangebroken: de strijd ontbrandt. De ene groep naar de andere zoekt kontact met Jezus. De aanval is vermomd in de vorm van een vraag. De hogepriesters, Schriftgeleerden en oudsten, dat wil zeggen leden van het Joodse Sanhedrin. Ze vragen op grond van welke bevoegdheid Jezus handelt. Hij moet zich legitimeren. Hij antwoordt o.a. door te vertelen over de verzorgers van een wijngaard die weigeren om de opbrengst aan de rechtmatige eigenaar over te dragen. Ze doden zelfs de zoon van de eigenaar. Hij vertelt ook een gelijkenis over een bruiloft waarbij de gasten niet opdagen en vervolgens worden er andere gasten gevonden. Een er van komt echter niet binnen omdat hij geen bruiloftskleding aan heeft. Dan komen de anderen, de Farizeeën samen met de aanhangers van Herodes, en stellen de strikvraag: “Is het geoorloofd aan de keizer belasting te betalen?” De Sadduceeërs volgen; zij willen weten hoe Jezus over de opstanding van de dood denkt: een vrouw trouwt meerdere malen. Telkens als haar man sterft, wordt ze, volgens traditie, weer aan de volgende broer van de gestorvene uitgehuwd wordt. Er waren zeven broers, welke van de zeven mannen mag samen met haar zijn in het hiernamaals? . Ten slotte komt een wetgeleerde afzonderlijk nog en vraagt welken gebod volgens hem het voornaamste is? Jezus wordt als het waren verhoord en er vinden discussies plaats.
Ze lopen naar buiten en de discipelen vragen hem naar de gebouwen van de tempel. Hij voorspelt de verwoesting van de tempel en van Jeruzalem. In de avond is hij samen met zijn discipelen op de Olijfberg. Hij voorspelt zware tijden. Zij willen weten wat zijn woorden over de voleinding der tijden betekenen en wanneer het zal gebeuren. Welke tekenen zullen er zijn?


















Woensdag Mercurius beweeglijkheid

Het rumoer en drukte gaan langzaam over in stilte. De eerste gebeurtenis die steeds als karakteristiek voor de woensdag van de stille week werd beschouwd, is de zalving van de voeten van Jezus. In de avond zijn ze in Bethanië. Maria Magdalena zalft de voeten van Jezus met kostbare nardusolie. Het evangelie van Johannes zegt dat het gehele huis vol was van de geur van dit offer.
Judas Escariot, penningmeester van de groep, is zeer verontwaardigd dat de dure zalf verspild wordt. Hij verliest volkomen zijn zelfbeheersing. Hij geeft praktische en sociale redenen voor zijn protest. Het is dertig zilverlingen waard! Met dat geld kan immers arme mensen gevoed worden. Jezus zegt daarop dat de armen altijd onder hen zullen zijn, maar hij niet. Het evangelie volgens Johannes toont duidelijk aan dat de ware motieven van zijn gedrag niet overeenstemmen met wat hij zegt. In werkelijkheid woedt in zijn ziel iets geheel anders. Het is juist de ergernis over de daad van Maria Magdalena die Judas de laatste stoot tot zijn verraad geeft. Hier neemt hij al het besluit om Jezus te verraden.




Donderdag Jupiter leiderschap en vernieuwing

Het Pascha, het joodse feest ter eren van de bevrijding uit slavernij, wordt voorbereid. De Joden scharen zich rond de tafel waarop het paaslam traditioneel aangeboden werd. Ook Jezus en zijn discipelen vieren een maaltijd samen. Voor ze beginnen waste Jezus de voeten van zijn discipelen. Wanneer ze allen aan tafel zijn doopt hij het brood in de wijn. Iets volkomen nieuws vindt plaats als hij de discipelen brood en wijn reikt en daarbij zegt: “Neemt, dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed. Dit luidt de overgang van de bloedige offers van vroeger na het offer zonder bloedvergieten in, van brood en wijn. Voor de gehele mensheid wordt de beslissende verinnerlijking van de offer-idee voltrokken. Alle oude offers zijn materiële offers geweest.
Hij kondigt aan dat degene aan wie hij het brood geven zal, zijn verrader zal zijn. Als hij het vervolgens aan Judas heeft gegeven, zegt hij tegen hem dat hij dat wat hij gaat doen, snel moet doen. Na de maaltijd gaan ze naar de tuin van Getzemanè en daar wordt Jezus gevangen genomen.







Vrijdag Venus ontvankelijkheid en omhullen

De dag van de kruisiging. Christus moet zijn kruisweg gaan. De strijd tegen de macht van de dood bereikt een beslissende fase in Gethsemane. Het is geen innerlijke zwakheid, geen doodsangst waarmee Christus worstelt. Men zou de gehele passie misverstaan door te menen dat Hij gebeden zou hebben om van de dood verschoond te mogen blijven. Niet de angst voor de dood overvalt hem, maar de dood zelf valt Hem aan. Hier ligt het geheim besloten. De dood wil Hem als het ware te slim af zijn. Hij wil Hem te vroeg, voordat Hij zijn werk heeft voleindigd, wegrukken. Hij heeft in deze fase nog niet zijn lichaam tot in het laatste partikel met zijn geest doordrongen.
Bij zijn dood scheurt de voorhang van de tempel en het wordt donker. De bloed van Christus stroomt in de aarde. Wanneer zijn bloed in de aarde stroomt, gaat zijn ziel mee, over het lichaam van de aarde. Wanneer anders het bloed van een mens wegvloeit, gaan het bloed en de ziel tegenstaande wegen. Hier gaat de ziel met het bloed mee.
Judas brengt zijn door verraad verdiende zilverlingen terug en hangt zich op. De laatste van de zeven kruiswoorden:”Het is volbracht”betekent niet dat het lijden is doorstaan. Het betekent dat nu de volledige zege over de macht van de dood is doorstaan.
Dan wordt zijn lichaam in het graf gelegd. De aarde ontvangt het lichaam en het bloed van Christus. Het is een verheven communie.. De dood heeft geen macht over hem. Zijn geest doortrekt het aardse, materiële bestaan.




Zaterdag Saturnus gevoeligheid, diepgang, herinneren

Het lichaam van Jezus wordt in het graf gelegd. Bij de oerbeelden van tafel en kruis voegt zich nu die van het graf. Wij bevinden ons tussen Goede Vrijdag en Pasen. Hoe verloopt het drama zich verder? Het is nog niet voltrokken. De overwinning op de dood moet zich ook tot in de materie voltrekken. Het is de dag van de zogenaamde neerdaling ter helle. In de Germaanse mythologie is Helle de dochter van de tegenkrachten. Zij verzamelt alles wat niet meer deel kan hebben aan de ontwikkeling.

www.frederieknelissen.nl/



De Zondag van Pasen de nieuwe Zon

Wanneer de Maria Magdalena bij het graf van Jezus komt, is hij er niet meer en de zware steen voor de ingang is verschoven. Zij haalt Petrus en Johannes er bij. Het graf is leeg, de doeken waarin hij gedraaid was liggen er nog. Maria Magdalena zien twee engelen op de plek waar Jezus lag. Als zij zich omdraait ziet ze Jezus staan maar ze herkent hem niet. Hij spreekt haar aan en dan pas herkent zij hem. Zij mag hem nog niet aanraken. Later verschijn Hij meerdere keren aan zijn volgelingen. Thomas twijfelt en moet het fysiek waarnemen voor hij gelooft dat het Jezus is dat voor hem staat.
Pasen is het feest van het leven dat geen ondergang kent. Alles is vernieuwd. De paashaas die de eieren voor de kinderen verstopt, speelt een belangrijke rol. De haas is een vruchtbaar zachtmoedig dier zonder vaste verblijfplaats dat zijn leven geeft voor zijn soortgenoten. Zo is de haas het symbool voor het Christuswezen.
De paaseieren dragen het ontkiemende leven in zich en symboliseren de opstanding uit de dood.
Traditioneel werden er spelletjes gespeeld op de paasweide. Op die plek ontstak men op paaszondag of paasmaandag de paasvuren. De neerslaande rook en het verkoolde hout schonken vruchtbaarheid aan de velden.

vo-perikopen.blogspot.com/2009/04/de-stille-w...
Zie ook:

woensdag 17 maart 2010

Opstap naar Pasen - Vastentijd

Waarom is er een Vastentijd na het afloop van het uitbundige Carnavalsviering? Hoe gaan wij in de huidige tijden er mee om? Moeten wij vasten? Geen suiker of chocola? Wat is zinvol?

Hieronder een schrijven van de Jaarfeestengroep Bronlaak, waar het helder wordt waar het voor ons echt om gaat in de huidige tijd:


Een opstap om met elkaar op weg naar Pasen te gaan.

En dan begint de vastentijd.

Wij hebben met elkaar carnaval gevierd. Wij zijn uit onze bol gegaan zoals velen het noemen. En dan woensdag begint de vastentijd.
Wat een overgang, maar ook wat een rust weer. Wij gaan weer in ons dagelijkse leven stappen met zijn eigen uitdagingen. Wij komen weer bij ons zelf.

Vasten is een oud gebruik dat in vele religies te vinden is. Overal een tijd van bezinning op wat werkelijk belangrijk is in het leven.

In het christendom is het een periode van 40 dagen (de zondagen niet meegerekend) die vooraf gaan aan Pasen.
Vanuit de katholieke kerk zijn in de loop der tijd veel gebruiken ontstaan. De nadruk ligt sterk op het naleven van regels. Het vastentrommeltje, waarin de snoep die in deze tijd niet gegeten werd bewaard werd tot Pasen, zit voor velen nog in de herinnering.

Waar het nu in de huidige tijd om gaat is dat iedereen van ons zelf een IK besluit neemt om zijn ontwikkeling zelf ter hand te nemen.

Niemand van ons kan iemand anders ertoe verplichten om iets wel of niet te doen.
Je zou deze tijd voor Pasen kunnen benutten om tot innerlijke balans en uiterlijke orde te komen.
Grote schoonmaak in jezelf en om je heen houden om ruimte te maken voor nieuwe dingen. Wat kan er weg? Wat heb je eigenlijk niet nodig?
Naar jezelf te kijken en je dan af te vragen "wil ik dat nog steeds zo doen." Ben ik hier tevreden mee en dan hoe ga ik dat anders doen?
Hetzelfde kan je je afvragen als je naar je huis, tuin kijkt. Wat wil ik zo houden wat wil ik veranderen?

Deze innerlijke activiteit leidt in kleine stapjes tot een omvorming in ons waardoor wij steeds meer als vrij mens tevoorschijn komen. "Ja, dat doe ik omdat IK het wil" geeft in jezelf een ervaring van vrijheid en verrijking.

En als het dan Pasen is kunnen wij rond het paasvuur staan en voorzichtig jubelend samen zingen: "Hij is waarlijk opgestaan"
In mezelf ben ik opgestaan. Ik heb gedaan wat ik mij voorgenomen heb.

Waar zou je naar kunnen kijken? Welke gewoontes wil ik onder de loep nemen? Hoe begroet IK mens en?
Ben Ik met mijn gedachten erbij als IK iets aan het doen ben?
Hoe luister IK naar de ander?
Wil IK naar dit tv programma kijken?
Wil IK dat wat IK wil werkelijk hebben?
Heb IK gezegd wat IK wilde zeggen?
Hoe ga Ik om met bv het gebruik van water of gas en elektriciteit.

Er zijn ontelbaar veel gewoontes die ieder van ons heeft en die misschien eens aan vernieuwing toe zijn.
Probeer het uit! En ga elkaar vertellen wat je tegen komt als je gewoontes gaat veranderen. Wees mild tegenover jezelf als het niet meteen gaat lukken. Dat hoort ook bij verandering.

Vastentijd is dus een tijd waarin IK een beslissing neemt om iets onder ogen te zien en iets anders te doen dan Ik gewend ben. Iets niet te doen of juist iets te doen wat ik
anders niet doe.

Het wezenlijke proces van vasten is: je laat het oude los en creëert daarmee ruimte voor het nieuwe.

Geschreven door Dörte

dinsdag 16 maart 2010

Pasen - verhalen

Dauwdruppel en sneeuwster
Michael Bauer
Op een late, milde Italiaanse herfstdag werd in het hart van een roos een dauwdruppel geboren. In het heldere ochtendlicht lag hij op zijn zachte, fluweelachtige bed en keek nieuwsgierig de wereld in. Hij zag een mooie wereld. De rode bladeren van de wijnrank slingerden over de oude muren, in de groene struiken straalden vruchten als gouden appels, in de verte schemerde de blanke, witte marmer en hoog boven dat alles stond de prachtige blauwe hemel. En het allermooiste was, dat dit kleurenspel om hem heen zich wilde spiegelen in het heldere oog van de kleine pasgeboren parel. .
'Heerlijk! Heerlijker riep hij steeds weer, 'heerlijk!'
'Wat een nar!' bromde een spin die vlakbij zat. 'Heeft maar een enkel oog. Ais hij er acht zou hebben zoals ik, dan zou hij niet zo verrukt naar zijn omgeving kijken. '
Op dat ogenblik scheen de zon met haar eerste stralen over de berg. Toen de stralen de weg naar de parel gevonden hadden wilde deze het liefst opgaan in al dat glanzende licht. Het leek wel alsof het bloembed waarin hij lag te klein geworden was; hij wilde wegvliegen ver omhoog, om meer van deze prachtige wereld te zien.
Heel even kwam er een windje door de tuin en een kleine schaduw trok haastig over de druppel heen. Daar schrok de dauwdruppel van. En een stem in zijn omgeving sprak: 'Begin je er eindelijk iets van te merken datje zo trilt?' Het was de spin die dichtbij hem zat, die zo sprak.
'Wat bedoel je met wat ik zou moeten merken? De schaduw, waarvan ik zo schrokte
'0 nee, jij onnozele! Die schaduw bedoel ik niet. Maar dat je steeds kleiner wordt, dat je langzamerhand verdwijnt, dat je sterft, dat bedoel ik!'
'Dat ik sterf? Wat is dat: sterven, vroeg de kleine dauwdruppel verwonderd. 'Nu moet ik toch vreselijk lachen!' ging de ongeluksspin verder. 'Weetje niet wat sterven betekent? Dan zal ik het je zeggen, want ik weet het. Ik heb al zoveel danslustige vliegjes zien sterven. Sterven betekent "alles verliezen!" niet het een of het ander, maar alles: het glinsteren, het kijken, het blij zijn, kortom, alles wat je hebt en jezelf erbij.'
De arme dauwdruppel begreep natuurlijk maar de helft van wat de spin hem vertelde, maar toch voelde hij zich gegrepen door een verschrikkelijke angst voor het sterven en met alle kracht die in hem was klemde hij zich vast aan het rozenblad.
Maar zijn bewustzijn begon al te verdwijnen en... weg was het.
'Mijn moeder had gelijk', zei de spin lachend, 'hoe mooier, des te dommer!' Dat ding wist inderdaad niet wat "sterven" is. In ons handwerk leert men zoiets tijdig. Maar natuurlijk, met nietsdoen en in-de-wereld-kijken leer je helemaal niets.' Daarop liet hij zich haastig naar beneden in het gras zakken, want er trok iets aan een draad van haar net.
De dauwdruppel die nu onzichtbaar was geworden, zweefde intussen omhoog naar de hemel! Daar kreeg hij gezelschap van vele soortgenoten en vloog met hen in noordelijke richting. Onder hen, ver in de diepte, was het groene land met zilverkleurige zeeën. Daarna kwamen verblindende sneeuwpoppen die afgewisseld werden door diepliggende dalen die in de schaduw lagen. Zo wisselde het vlakke land met de heldere watervlakten zich af met beboste bergen. Maar het dauwdruppeltje wist daar niets van, het wist zelfs niets over zijn eigen bestaan.
Het eerste gevoel van zijn eigen zijn kwam pas weer toen een onverwachte ijskoude windstoot door de onzichtbaar zwevende druppeltjes voer en ze bij elkaar veegde. En naarmate de wind scherper en kouder blies werd ook het gevoel in hem steeds sterker en bewuster. En ten slotte ging er een oogje, een heel klein oogje open en keek knipperend om zich heen. Maar daar draaide alles om en om en hij kon niets onderscheiden. Gelukkig kwam er nog een oogje en nog een... Toen waren het er acht in totaal: zes in een kring naar buiten en twee in het midden, een voor boven en een voor beneden. Nu kon hij zich draaien zoals hij wilde, overal waren ogen en overal kon hij alles zien. 0, wat was dat mooi! Alles glinsterde en glansde om haar heen! Sneeuwwitte vleugels met flonkerende veren fladderden overal in het rond: boven hem en onder hem en rechts en links. Duizenden klinkende stemmetjes kwinkeleerden door elkaar. Het leek wel op een spreeuwenzwerm, alleen waren zij veel dichter en veel mooier en veel vrolijker.
Daar ging de vlucht naar beneden, naar de aarde. Ons dauwdruppeltje had nu zijn doodschrik vergeten. Het had helemaal vergeten dat het ooit een dauwdruppeltje was geweest. Want nu was het een sneeuwsterretje, een fijn zuiver, pasgeboren zeshoekig sneeuwsterretje. En hoe zou het ook iets weten van Italië en van de roos en van die verschrikkelijke spin! Het had helemaal geen tijd om aan het verleden te denken. Het moest de wereld rondkijken en het - was mooi ondanks zijn acht oogjes die het nu had net zoals de spin. En het moest dansen met wel duizend vrolijke kameraden.
Beneden in het dorp stond voor de deur van een huis een klein mensenkind en keek naar de op en neer dansende sneeuw en de vader kwam erbij en zei: 'Vang toch eens een van die witte dingetjes!' Het kind strekte zijn handje uit in de vlokkendans en ons sterretje was veel te gelukkig om wantrouwend te zijn en ging op de hand van het kind zitten. Maar wat schrok het, toen het kind hem greep en naar zich toe trok. Het schrok nog meer toen het twee grote blauwe mensenogen op zich gericht zag. Zijn vleugeltjes waren verlamd van schrik en hulpeloos bleef het liggen.
'0, wat prachtig!' riep het kind en bracht haar hoofd nog dichter bij het sneeuwsterretje.
'Maar van korte duur!' zei de vader. 'Kijk eens, het huilt al!'
'Waarom huilt het, vader?'
'Omdat het in elkaar schrompelt, omdat het smelt, omdat het sterft!'
En werkelijk: de acht oogjes begonnen gelijktijdig te huilen, en ze huilden tot het hele sneeuwsterretje een klein tranendruppeltje geworden was. Trillend lag het op de warme hand van het kind.
'Kijk eens, nu is het al uit met zijn pracht', zei de vader.
Maar op hetzelfde ogenblik voelde het druppeltje een stralende kracht door zich heen gaan. Het roze, zachte kinderhandje had het herinnerd aan het rozenblad in het verre Italië, en meteen stonden de oude muren met de wilde wijnranken en de gouden appels tussen de groene bladeren en de wit marmeren muren, en daarboven de diepblauwe hemellevendig voor de ziel van de kleine druppel. En ook de lelijke spin, en dat wat ze gezegd had. En een groot geluk en een innige zekerheid ging door de ziel van het kleine druppeltje. Jubelend riep het uit: 'De spin heeft gelogen, en jij liegt ook, grote man! Ik ben niet gestorven en sterf helemaal niet. Hoogstens slaap ik een tijdje. En dan, als ik wakker word is alles steeds mooier en mooier!'
Maar de man verstond die woorden niet, en dat is jammer.







De paashaas en het gouden ei
Heel vroeg in de ochtend, toen de zon nog maar nauwelijks boven de horizon uitkwam, was de paashaas al druk in de weer. Overal was hij de eieren aan het verstoppen, waar straks de kinderen naar zouden komen zoeken.Hier een ei en daar een ei en nog een ei... Toen hij al zijn eieren verstopt had moest hij het gouden ei nog verstoppen. Maar dat was verborgen onder de aarde en werd bewaakt door de andere hazen. De paashaas riep al zijn hulphazen bijeen: "Hazen kom te voorschijn, laat je eens even zien…". En zo kwam het ene haasje na het andere tevoorschijn en ze riepen elkaar, en wachtten tot ieder er was, zodat ze samen op weg konden gaan om het gouden ei te gaan halen en het te gaan verstoppen. Ze huppelden achter elkaar aan: "Wij halen nu het gouden ei, het gouden, gouden ei...".Heel zorgvuldig had de paashaas al het zonlicht in het gouden ei bewaard, zodat het kind dat het gouden ei zou vinden veel zonlicht en zegen zou ontvangen.Toen de paashaas met zijn hulphazen bij de grot aankwam waar het gouden ei bewaard werd, waren de haasjes die het ei bewaakten, allemaal in paniek. Want het gouden ei was verdwenen, het gouden ei was weg.Zij wisten niet hoe het had kunnen gebeuren. En snel gingen ze samen zoeken. Want hoe kan het gouden ei zou zo maar weg zijn. Ze zochten overal in de struiken, stronken in alle holletjes, maar zelfs in de hoogste boom was het gouden ei niet te vinden. Wat moesten ze nu doen? Alle hazen lieten hun kopjes hangen. Dit was wel het ergste wat de paashaas kon overkomen, en hij stond in het midden van de andere hazen en klaagde: "Ohhh... het gouden ei is weg wat moeten wij nu doen?""Roekoe, roekoe…", klonk het ineens boven hem in de bomen. Allen keken omhoog. Daar zagen zij een duifje boven in de takken: "Roekoe, roekoe…". De paashaas vroeg waarom het duifje zo riep. Ze kwam naar beneden en ging voor de voeten van de paashaas zitten alle andere hazen in een kring eromheen. Ze vertelde dat zij wist waar het gouden ei was. Midden in de nacht was het gouden ei weggehaald uit de grot waar het bewaard werd. Wie het gedaan had wist het duifje niet precies, daar was het te donker voor geweest. Maar zij wist wel waar het ei gebleven was. Ze was er achter aangevlogen. Toen gingen ze allemaal achter het duifje aan. Ze moesten ver door het bos totdat ze bij een hele grote oude boom kwamen, van wel honderd jaar oud.Het duifje koerde en dat betekende dat dit de plek was waar het gouden ei was aangekomen. De paashaas ging een holletje in, dat tussen de wortels te zien was, en daaruit kwam een dwerg te voorschijn. Die heel erg boos was en vroeg wat ze kwamen doen. De paashaas zei dat hier misschien het gouden ei verborgen was, en na lang wachten zei de dwerg, dat hij inderdaad het gouden ei gestolen had. Hij wilde ook wel eens wat zonlicht zien, hij moest altijd maar onder de grond leven en werken.De paashaas vertelde de dwerg, dat zonlicht niet voor dwergen en kabouters is. Maar juist voor mensen en kinderen was het zonlicht erg belangrijk. De paashaas beloofde dat de dwerg een mandje vol met eieren zou krijgen met Pasen, maar dat hij het gouden ei mee moest nemen.De dwerg vond het niet leuk, maat hij gaf het gouden ei aan de paashaas. Zo vertrokken de hazen en zij zongen: "Wij hebben nu het gouden ei, het gouden, gouden, ei." De paashaas kon gelukkig nog net op zijd het gouden ei verstoppen. En op Paasmorgen stond een mandje met eieren voor de boom van de dwerg te wachten.

Hoe het roodborstje aan haar rode veren komt
Het was in de tijd dat God de wereld schiep, toen hij niet alleen hemel en aarde maakte, maar ook alle dieren en gewassen en hun tegelijkertijd een naam gaf. Er zijn veel verhalen uit die tijd, en als men die kende, zou men ook in staat zijn alles in de wereld, wat men nu niet kan begrijpen, te verklaren.

Nu gebeurde het op een dag dat God in het paradijs de vogels zat te schilderen en dat de verf in de verfpotten opraakte, zodat de distelvink zonder kleur gebleven zou zijn, als God niet alle penselen aan diens veren had afgeveegd.

Toen kreeg ook de ezel zijn lange oren, omdat hij de naam die hij gekregen had maar niet kon onthouden. Zodra hij een paar stappen op de wei in het paradijs zette, vergat hij zijn naam. Al driemaal was hij teruggekomen om te vragen hoe hij heette en God werd wat ongeduldig, pakte hem bij beide oren en zei: "Je naam is ezel, ezel, ezel!" En terwijl hij dat zei, trok hij de oren van het dier een stukje omhoog, zodat het beter zou horen en onthouden wat hem gezegd werd.

Op die dag werd ook de bij gestraft. Want zodra de bij geschapen was, begon ze onmiddellijk honing te verzamelen en alle mensen, die merkten hoe heerlijk de honing geurde, kwamen aangelopen om te proeven. Maar de bij wilde alles zelf houden en joeg met haar giftige angel iedereen weg, die om honing kwam. Dat zag God en onmiddellijk riep hij de bij bij zich om haar te straffen. "Ik heb je de gave geschonken om honing te verzamelen, het mooiste wat er in de schepping is," zei God. "Maar daarom heb ik je nog niet het recht gegeven om hardvochtig tegenover je naaste te zijn. Onthoud dus maar goed dat je moet sterven, als je iemand steekt, die je honing wil proeven." Ja, er gebeurden die dag allerlei wonderlijke dingen. Zo werd de krekel blind en verloor de mier haar vleugels.

God, groot en vriendelijk, was de hele dag druk bezig te scheppen en in 't leven te roepen. En tegen de avond kwam het in hem op om een kleine, grauwe vogel te maken. "Onthoud goed dat je naam roodborstje is," zei God tegen de vogel, zette hem op zijn hand en liet hem vliegen.

Maar toen de vogel een poosje had rondgevlogen en de mooie aarde had bekeken, wilde hij ook zichzelf wel eens bekijken. Toen zag hij dat hij helemaal grijs was, tot zijn borst toe.
Roodborstje keerde en draaide en spiegelde zich in het water, maar hij kon geen enkele rode veer ontdekken.

De vogel vloog terug naar God, die daar zacht en vriendelijk zat, terwijl de vlinders, die uit zijn hand te voorschijn kwamen, om zijn hoofd vlogen. Duiven kirden op zijn schouders en uit het veld om hem heen bloeiden rozen, leliën en duizendschonen op.

Het hart van de kleine vogel bonsde hevig van angst. Toch vloog hij in lichte bogen steeds dichter naar God toe en uiteindelijk ging hij op diens hand zitten.

God vroeg wat hij wenste.

"Ik wil u maar één ding vragen," zei de kleine vogel.

"Wat wil je weten?" vroeg God.

"Waarom moet ik roodborstje heten, als ik van mijn snavel tot de punt van mijn staart helemaal grauw ben? Waarom word ik roodborstje genoemd, als ik geen enkele rode veer bezit?" Het vogeltje zag God smekend aan met zijn zwarte oogjes en draaide heen en weer. Om zich heen zag hij fazanten, helemaal rood met wat goudstof besprenkeld, papegaaien met weelderige rode halskragen en hanen met rode kammen, om nog maar te zwijgen van vlinders, goudvissen en rozen.

Natuurlijk dacht hij eraan hoe weinig er maar nodig was - maar één druppeltje verf - om hem tot de mooie vogel te maken, waar zijn naam bij paste.

"Waarom moet ik roodborstje heten, terwijl ik helemaal grijs ben?" vroeg de vogel opnieuw. En hij verwachtte dat God zou zeggen: "Ach, vriendje, ik zie dat ik vergeten heb je borstveren rood te schilderen, wacht maar even, dan is het zo klaar." Maar God lachte alleen maar stil en zei: "Ik heb je roodborstje genoemd en roodborstje zul je heten. Maar je moet zelf maar zien, dat je je rode borstveren verdient." Toen hief God zijn hand op en liet de vogel opnieuw uitvliegen.

In diep gepeins vloog de vogel in het paradijs rond. Wat zou een kleine vogel als hij kunnen doen om zich rode veren te verwerven? Het enige wat hij kon bedenken was in een doornstruik te gaan wonen. Daarom begon hij een nest te bouwen tussen de stekels van een dichte doornstruik. Het was alsof hij verwachtte, dat een rozenblad zich bij zijn keel zou vastzetten en die zou kleuren.

Een oneindige hoeveelheid jaren was verstreken sinds die dag, de heerlijkste ter
wereld. Sindsdien hadden mensen en dieren het paradijs verlaten en zich over de aarde verspreid. De mensen hadden inmiddels geleerd om het veld te ontginnen en de zee te bevaren. Ze hadden zich kleren en versierselen aangeschaft en al lang geleden geleerd om grote tempels en machtige steden te bouwen, zoals Thebe, Rome en Jeruzalem.

Toen brak een nieuwe dag aan, die ook lang herdacht zou worden in de geschiedenis van de aarde. Op de morgen van die dag zat vogel Roodborst op een kleine, kale heuvel buiten de muren van Jeruzalem te zingen voor zijn jongen, die midden in een lage doornstruik in een nestje lagen. Het roodborstje vertelde zijn kleintjes over de wonderbare dag van de schepping en hoe hij zijn naam had gekregen, net zoals alle roodborstjes hadden gedaan vanaf het eerste, dat Gods woord had gehoord en was opgevlogen van zijn hand.

"En kijk nu toch eens," besloot hij treurig. "Zoveel jaren zijn verstreken, zoveel rozen hebben gebloeid en zoveel jonge vogels zijn uit hun ei gekropen, sinds de dag van de schepping, dat niemand ze kan tellen en nog altijd is het roodborstje een kleine, grijze vogel. Het is hem nog steeds niet gelukt zijn rode borstveren te verwerven." De jongen sperden hun snavel wijd open en vroegen of hun voorvaderen niet geprobeerd hadden iets groots te verrichten, om zo die onschatbare rode kleur voor zich te winnen.

"We hebben alles gedaan wat we konden," zei het vogeltje, "maar alles is mislukt. Meteen al het eerste roodborstje ontmoette eens een andere vogel, die sprekend op hem leek en waarvan hij meteen zoveel begon te houden, dat hij zijn borst voelde gloeien. Och, dacht hij toen, nu begrijp ik het! Het is de bedoeling van God, dat ik met zoveel warmte zal liefhebben, dat mijn borstveren rood worden door de gloed van de liefde, die in mijn hart woont. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." De jongen tjilpten bedroefd en begonnen er al over te treuren, dat die rode kleur nimmer hun donzige borstjes zou sieren.

"Ook op het zingen hebben wij onze hoop gevestigd," zei de oude vogel nu in lange, gerekte tonen. "Meteen al het eerste roodborstje zong zo, dat zijn borst van verrukking zwol en hij opnieuw begon te hopen. Ach, dacht hij, het is de zangersgloed, die in mijn ziel woont, die mijn borstveren rood zal verven. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." Opnieuw klonk een droevig gepiep uit de halfnaakte keeltjes van de jongen.

"We hebben ook gehoopt op onze moed en onze dapperheid," zei de vogel. "Meteen al het eerste roodborstje streed dapper met andere vogels en zijn borst vlamde van strijdlust. Ach, dacht hij, mijn borstveren zullen rood worden van de strijdlust die in mijn hart gloeit. Maar het lukte hem niet, zoals het niemand na hem lukte en zoals het ook jullie niet zal lukken." De jongen piepten heel moedig, dat ze toch wilden proberen het voorrecht te verwerven, waarnaar het roodborstje al die lange jaren had verlangd. Maar de oude vogel antwoordde hun droevig, dat dit onmogelijk was. Hoe konden zij die hoop koesteren, waar vele uitstekende voorvaderen het doel niet hadden kunnen bereiken? Wat konden ze meer doen dan zingen, liefhebben en vechten? Wat konden...

De vogel hield midden in die zin op, want uit een van de poorten van Jeruzalem kwam een menigte mensen naar buiten en iedereen liep snel naar de heuvel, waar de vogel zijn nest had. Het waren ruiters op trotse paarden, krijgslieden met lange speren, beulsknechten met hamers en spijkers, waardig voorttrekkende priesters en rechters, huilende vrouwen, maar vooral een troep wild rondspringend, loslopend volk, een afschuwelijk schreeuwende bende straatslijpers. Een klein grijs vogeltje zat trillend op de rand van zijn nest. Het was bang dat de doornstruik ieder moment vertrapt en zijn jongen gedood zouden worden.

"Wees voorzichtig!" riep hij de weerloze diertjes toe. "Kruip dicht bij elkaar en wees doodstil. Er komt een paard aan, dat dwars over ons heen zal gaan, en een soldaat met sandalen met ijzeren zolen. Er komt een hele woeste bende aanstormen." Opeens hield de vogel op met waarschuwen en bleef doodstil zitten. Bijna vergat hij het gevaar waarin hij verkeerde.

Plotseling sprong hij in het nest en spreidde zijn vleugels over zijn jongen uit. "Nee, dit is al te vreselijk," zei hij, "ik wil niet dat jullie dit zien. Daar komen drie misdadigers aan, die gekruisigd moeten worden." En hij spreidde zijn vleugels nog verder uit, zodat de jongen niets konden zien. Ze hoorden alleen de dreunende hamerslagen, de jammerkreten en het wilde gejoel van het volk.

Met ogen groot van ontzetting volgde het roodborstje het hele schouwspel, terwijl hij niet in staat was zijn blik van de drie ongelukkigen af te wenden.

"Wat zijn de mensen wreed," zei de vogel na een poosje. "Het is hun nog niet genoeg die arme schepsels aan het kruis te nagelen. Nee, ze hebben op het hoofd van die ene ook nog een kroon van scherpe doornen gezet."

"Ik zie dat de doornen zijn voorhoofd hebben verwond, zodat zijn bloed vloeit," ging hij voort. "En die man is zo kalm en kijkt met zulke zachte ogen om zich heen, dat iedereen wel van hem moet houden. Het is alsof een pijl mijn hart doorboort, nu ik hem zie lijden." Het vogeltje begon steeds meer medelijden te krijgen met de man die de doornenkroon droeg.

Als ik mijn broeder de arend was, dacht hij, zou ik de spijkers uit zijn handen rukken en met mijn sterke klauwen iedereen op de vlucht jagen, die hem pijnigt. Toen hij zag hoe het bloed langs het voorhoofd van de gekruisigde vloeide, kon hij niet langer stil in zijn nest blijven zitten. Ook al ben ik klein en zwak, toch kan ik wel iets voor die arme gemartelde doen, dacht de vogel, verliet het nest en steeg op in de lucht, waarbij hij grote kringen rond de gekruisigde beschreef. Hij zweefde verschillende keren om hem heen zonder dichterbij te komen, want hij was een schuwe, kleine vogel, die het nog nooit gewaagd had dicht bij een mens te komen.

Langzamerhand vatte hij moed, vloog naar hem toe en trok met zijn snavel de doorn uit, die in het voorhoofd van de gekruisigde was gedrongen. En terwijl hij dit deed, viel een druppel bloed van de gekruisigde op de borst van de vogel. De druppel breidde zich snel uit en kleurde al zijn tere borstveertjes.

De gekruisigde opende zijn lippen en fluisterde de vogel toe: "Door uw barmhartigheid hebt u nu verworven, waar uw voorvaderen sinds de schepping van de wereld naar gestreefd hebben." Zodra de vogel in zijn nest terugkwam, riepen zijn jongen hem toe: "Uw borst is rood, uw veren zijn roder dan rozen!" - "Dat is alleen maar een druppel bloed van het voorhoofd van die arme man. Die verdwijnt zodra ik me in een beek of een heldere bron baad." Maar hoe het vogeltje ook baadde, de rode kleur week niet meer van zijn borst.

En toen zijn jongen volwassen waren, vertoonden ook hun borstveren die schitterend rode kleur, zoals die tot op de dag van vandaag op de keel en de borst van ieder roodborstje te zien is.