vrijdag 1 november 2013

St Maarten, een feest voor iedereen



Lied voor Sint Maarten's Spel



Sint Maarten, Sint Maarten,

Sint Maarten reed door sneeuw en wind

Zijn vurig paard droeg hem gezwind,

Sint Maarten reed met licht gemoed

Zijn mantel dekt hem warm en goed.
Een oude, een oude,
een oude man zat langs de baan
en sprak de ridder smekend aan:
"Acht, help mij toch uit deze nood,
`k vind in deez'harde kou mijn dood.
Sint Maarten, Sint Maarten,
Sint Maarten innig aangedaan
blijft voor de arme beed'laar staan.
Hij trekt zijn slagzwaard uit de schee
en snijdt zijn mantel glad in twee.
Sint Maarten, Sint Maarten,
Sint Maarten geeft vol medelij
hem 't grootste stuk en rijdt voorbij.
Sint Maarten reed met licht gemoed
Zijn halve mantel dekt hem goed.
Sint Maarten, Sint Maarten,
Sint Maarten van zijn tochten moe,
legt zich te rusten welgemoed.
Tot loon van 't geen hij heeft verricht,
ziet hij des nachts een helder licht.
Een oude, een oude,
een oude man verschijnt voor hem
en spreekt met zachte hemelstem:
"Ik ben de Goede God, gij gaaft mij
dees mantelhelft uit medelij!"
Link:
Een schat aan liedjes, activiteiten en achtergrond informatie te vinden op Tineke's Doehoek:
http://www.doehoek.nl


Foto van de Vrije School Michael Bussum












Een mooi voorbeeld van het lied van Sint Maarten, zijn verhaal gezongen in het Engels:
Lied van Sint Maarten
















Het feest van Sint Maarten wordt wijdverbreid gevierd
Link:
Een wijdverbreidt feest




vrijdag 25 oktober 2013

Wie is Zwarte Piet?

Zwarte Piet, een geliefde en zeer gewaardeerde kindervriend. Hij is een beeld van het onbezonnen, goedwillende maar soms ten spijten van zichzelf, over de touw trappende kinderwezen! Een echte sanguinischer dus! En wat is meer typisch voor het wezen van het kind?
Zwarte Piet heeft altijd goede bedoelingen – zo ook ieder ongeschonden kind.
Zwarte Piet helpt en bevordert het goede met al zijn hartenkracht - zo ook ieder ongeschonden kind.
Zwarte Piet komt weleens in de problemen en dan moet Sinterklaas hem eventjes streng (maar altijd goedmoedig) aanspreken – welke kind ervaart dat niet?
Zwarte Piet berispt een overtreder weleens – ieder kind weet dat spijt altijd te laat komt. Hij denkt immers niet vooraf na over de gevolgen van een impulsiviteit….. En welke kind wijst niet weleens een ander aan als hij overtreedt zonder te bedenken dat hij het zelf ook weleens overkomt?
Zwarte Piet is een beeld voor het ontluikend kinderlijk geweten en steunt de vorming ervan. Een wakkermakertje dus.
Zwarte Piet geniet van grappen en grollen, is gul (strooit lekkere dingen in het rond)

Kortom, Zwarte Piet is een prachtige, voorbeeld gevende figuur, dat ontstaat is uit de volkstraditie. Een geschenk uit de hemel!

Laten wij hopen dat de volwassenen altijd zullen blijven begrijpen hoe om met dit prachtige kinderfeest om te gaan.

Pieterbaas heeft veel pret en plezier














Zwarte Piet verliest zijn Pepernoten

Pieterman, jij brengt veel pret en plezier

Daarom ben jij altijd welkom alhier!

Maar Zwarte Piet, wiedewiedewiet

Heeft zo een verdriet,



Wat is er toch aan de hand, Piet?

Ag, zegt Piet,

" Ik vind mijn zak met pepernoten niet.

Waar is het toch gebleven,

Wat kan ik de kinderen nu geven?

Ik heb al weer een dommigheid begaan,

Kijk, daar komt Sinterklaas al aan.

Wat zal hij zeggen?

Hoe kan ik het hem vertellen?

Ik heb geen strooigoed om te gooien,

Geen zoetigheid om te strooien."

" Lieve Sint", vertelt Piet,

Ik zit al weer fout

En hoezeer het mij ook benauwd

Ik moet bekennen, mijn pepernoten zijn weg

Ach, waarom heb ik toch zo een pech?"



Maar Sint schudt zijn hoofd en lacht luid. "

Piet, wat ben jij toch een schavuit!

Kijk toch goed om je heen, heus,

Het licht vlak voor je neus."



Piet kijkt om zich heen maar hij ziet niets

Hoe begrijp je nu zoiets?

" Piet, kijk eens op je bed. Wat ligt er bovenop, dan?

Piet wat ben jij toch een slome slaapkop, man!"



En toen zag Piet het pas,

Hij dacht dat het zijn kussen was!

Daar lag zijn pietenzak vol pepernoten!

Piet zwaait zijn zak over zijn rug

En rende achter de Sint aan, vliegensvlug.



















zondag 29 september 2013

Het feest van Michael is een feest van moed. Wij leren van Michael hoe om met daadkracht alle levenssituaties tegemoet  te treden. Wij worden overspoeld met indrukken die ons af willen leiden van onze ware mensheidsdoel. De draak verstrikt ons in het materialisme.
Michael roept ons op om wakker te zijn. hij moedigt ons aan om ZELF onze taak op ons te nemen en de weg terug te vinden naar onze goddelijke kern. Als wij wakker en moedig zijn zal hij ons de weg graag wijzen.
Schildering van David Newbat


Sint Michaëls Boodschap:
Wat ook komen mag
Wat mij ook het komende uur, de volgende dagen brengen mag.
Ik kan het als het mij volledig onbekend is door geen angst veranderen.
Ik wacht het af, met volledige innerlijke rust, in volmaakte zielenrust.
Door angst en vrees wordt onze ontwikkeling tegengehouden.
Wij stoten, door de vlagen van angst terug, wat uit de toekomst in onze ziel opgenomen wil worden.
De overgave aan wat men goddelijke wijsheid in de gebeurtenissen noemt,
de zekerheid dat datgene dat komt komen zal en dat het op de een of andere wijze zijn goede werking zal hebben.
Het oproepen van deze stemming, in gevoelens, in woorden, in ideeën , dat is de stemming van het overgavegebed.
Dat is een van de dingen die we in deze tijd moeten leren, uit louter vertrouwen te leven:
Zonder bestaanszekerheid, uit vertrouwen op de immer aanwezig zijnde hulp van de geest......
Waarlijk anders gaat het in deze tijd niet, als we de moed niet willen laten zinken, laten we onze wil voortdurend sterken en proberen haar te wekken Iedere morgen en avond.
RS



Schildering van Raphael

Met de kinderen worden het feest gevierd in dankbaarheid voor de oogst van het seizoen en er worden spelletjes gespeeld waarbij moed en daadkracht beoefend worden. Vliegeren hoort er vaak ook bij.

Meer over deze feest en hoe het gevierd wordt vindt u hier:
http://www.ontwerpt.nu/vo/vsjaarmichael.html

















Afbeelding van poskaart Dorothea Schmidt
http://www.regenboogschaap.nl


Liedjes, activiteiten en artikelen rond het feest van Michael en de oogstseizoen vindt u hier:
http://www.doehoek.nl

Joris en de draak: Toneelspel
SINT JORIS EN DE DRAAK

Heel lang geleden regeerde er een koning over een stad. Vlak voor de poorten van de stad was een heel groot meer. Daarin woonde een verschrikkelijke draak. Met zijn giftige adem doodde hij iedereen die in de buurt kwam. Al vele malen hebben de bewoners van de stad geprobeerd om de draak te overwinnen, maar steeds had het ondier hen op de vlucht gejaagd. Dan kwam hij tot aan de stadsmuur en verstikte alles met zijn giftige adem. De bewoners van de stad waren bang voor de draak en zijn verstikkende adem. Daarom besloten zij om de draak iedere dag twee schapen te geven.
Maar na verloop van tijd begonnen de schapen in de stad op te raken. Omdat ze zo bang waren, besloten zij om voortaan èèn mens en èèn schaap aan de draak te geven. Geen van de bewoners mocht zich daaraan onttrekken. Steeds weer wees het lot aan wie de volgende dag aan de draak geofferd zou worden. Zo verstreken vele maanden. Op zekere dag viel het lot op de koningsdochter. De volgende dag zou zij buiten de muren aan de oever van de meer moeten wachten. Dan zou het ondier komen om haar te verslinden.
Maar de koning werd diep bedroefd. Hij sprak tot het volk: ‘neem al mijn goud en zilver en neem ook de helft van mij koninkrijk, maar laat mij mijn dochter behouden.’Toen werd het volk boos en riep:’wij hebben ook onze kinderen geofferd. Nu is het lot op uw dochter gevallen. Morgen moet zij gaan om door de draak verslonden te worden.’ En zij dreigden de koning het kasteel met iedereen die er in was te verbranden. Toen smeekte de koning hu:’ach, laat mij mijn dochter noch acht dagen behouden. Geef mij tijd om afscheid van mijn zo innig geliefde kind te nemen.’ En het volk stemde daarin toe.
En na acht dagen dromde het volk weer voor het koninklijk paleis en eiste de dochter des konings op, om naar het water voor de stadsmuur te brengen. De koning begreep dat zijn dochter niet aan haar lot kon ontkomen. Hij kleedde haar in prachtige kleren, omarmde zijn kind en nam vol droefenis afscheid van haar.

Koning:
Zie de duistere wolken trekken,
Hoor het gieren van de wind.
Bang, zo bang is nu mijn harte.
Blijf bij mij, mijn liefste kind.

Prinses:
Vader, ach, ik moet vertrekken,
Mag niet blijven aan uw zij.
Donker is het om mij henen.
Vader, ach, denk steeds aan mij!

Koning:
O, dochter, groot is onze smart,
Gebroken is mijn droevig hart.

Prinses:
Dat God de Heer U steeds bewaak,
Op mij wacht nu de boze draak.

Koning:
Gegroet,
O koningsdochter zoet.

En het volk begeleidde de prinses tot aan de oever van het meer en trok zich daarna haastig terug achter de muren van de stad. Terwijl de prinses huilend aan de oever van de meer zat, kwam er een jonge ridder op zijn paard aangereden. Zijn naam was Joris.
Zingen:
Ik trek door de wereld
Met moed en met kracht.
Bij al wat ik doe,
Voel ik Michaels macht.
Hij schonk mij een paard,
Zo snel als de wind,
Hij gaf mij een zwaard,
Als men schoner niet vindt.

Toen zag Joris het meisje huilend aan het water.

Sint Joris:
O, zie een meisje sta daar ginds,
Zo droevig is haar wezen.
Prinsesje, ben je ziek misschien?
Dan zal ik je genezen.

Prinses:
Neen, ridder, ‘t is de boze draak,
Die zal mij straks verslinden!

Sint Joris:
Een boze draak? O, zeg me gauw,
Waar is dat beest te vinden?

Terwijl ze zo met elkaar spraken, kwam er beweging in het water. Een reusachtige draak kwam uit de diepte te voorschijn. De prinses beefde van schrik over al haar leden en riep:

Prinses:
Daar komt hij, ach, wat moet ik doen?
De dood staan mij voor ogen.

Toen de draak uit het water kwam, sprong St. Joris op zijn paard en reed het monster tegemoet. Er ontstond een geweldige strijd tussen de draak en de moedige ridder. En na korte tijd overwon Joris de draak en doodde hem.
Daarop nam Joris de prinses bij de hand en bracht haar de stad binnen naar haar vader de koning. En Joris de ridder weigerde alle geschenken die hem aangeboden werden; hij besteeg zijn paard en vertrok om nieuwe daden te verrichten.

Zingen:
Ik trek door de wereld, met moed en met kracht.
Bij al wat ik doe, voel ik Michaels macht.
Hij schonk mij een paard, zo snel als de wind,
Hij gaf mij een zwaard, als men schoner niet vindt.
Hij helpe mij spoedig, de draak te verslaan,

O, Michael kom, wil ter zijde mij staan.




Sint Michael wordt gevierd in de oogsttijd. Het is gebruikelijk om een om een feestelijke tafel met de producten van het seizoen op te stellen. Mais, pompoenen, alle soorten graan, groenten en fruit. En niet te vergeten natuurlijk, de appeltjes. 
Leuk is het als de kinderen zelf kunnen helpen bij het oogsten.




Bij dit feest hoort altijd een feestmaal - appelmoes, pompoensoep en niet te vergeten een "drakenbrood"




Een verhaal voor de oudere kinderen of volwassenen




Toen God de Heer de wereld schiep, vormde hij uit de vurige ethersubstantie van de kosmos de zuivere geesten, zijn helpers en boodschappers: de engelen. Temidden van deze namen zeven eerstgeschapenen een bijzondere plaats in, want zij belichaamden de oerbeelden en oerkrachten van de gehele schepping. Deze zeven mochten te allen tijde het onverhulde aangezicht van hun schepper  aanschouwen, want zij stonden vanaf het begin in het licht van zijn heerlijkheid.
Tot leider nu van deze zeven was Samaël benoemd, die ook Satanaël of Lucifer – dat is ‘lichtdrager – wordt genoemd. De Heer had hem als zijn speciale geliefde engel uitverkoren. Op de dag dat hij geschapen werd straalde zijn lichtgestalte in de schijn van veelkleurige juwelen. Een schitterende kroon tooide zijn hoofd. In deze kroon was op de plaats boven het voorhoofd de kostbaarste edelsteen ingelegd, die leek op een uit licht gevormde smaragd. En alles wat door de lichtstralen uit deze steen werd getroffen, straalde helder en in een goddelijk licht.
Voor de zeven eerstgeschapenen, voor hun leider Samaël en voor alle andere engelen ontvouwde de Heer nu het grote plan van de aards schepping en hij verkondigde de geesten van zijn rijk, dat de mens een bijzondere plaats temidden van alle schepselen zou krijgen. De mens zou naar het beeld en de gelijkenis van de schepper gevormd worden en de engelen moesten hem dienen.
Maar dit goddelijke plan deed de machtigste van alle engelen, de lichtbrenger Lucifer, in toorn ontsteken. Hij, de stralende, meende dat God hem hiermee, ten voordeel van de mensen een groot onrecht had aangedaan. Vanaf dat moment begon Satanaël aan de wijsheid van God te twijfelen en er ontbrandde haat in hem tegen het gehele mensengeslacht. Vervuld van afgunst besloot hij de Heer niet meer te gehoorzamen, en in zijn trots begon hij ook de andere engelenscharen tot ongehoorzaamheid tegen de Heer op te zetten. En een derde deel van de engelen volgde hem.
De Heer echter wist wel van de gedachten en listen van de engel die eens zijn meest geliefde was geweest en hij besloot de trotse met zijn gehele aanhang uit de hemel te verjagen. En uit de scharen van de engelen die hem trouw gebleven waren riep hij Michaël en beval hem, met de kracht van het goddelijk vuur, met het vlammenzwaard, Satanaël – die voortaan alleen nog Satan zou heten – te verblinden en hem tezamen met de opstandige schare uit de hemel te jagen. En zo geschiedde het. En terwijl Satan met zijn scharen hals over de kop de duisternis tegemoet tuimelde, sloeg Michaël met het vlammenzwaard de stralende steen, de onvolprezen smaragden juweel uit zijn kroon.
Uit deze steen vormde Michaël, die na Gods richtspreuk over Satan en zijn schare tot opperste engel was benoemd, een wonderlijke, kelkachtige schaal. Dit prachtige voorwerp werd tot heilige schaal, die ertoe was voorbestemd de zonnehostie in zich op te nemen. Toen de schaal klaar was, bracht Michaël haar naar de aarde, die inmiddels voltooid was. Daar werd zij vanaf oertijden in speciale heiligdommen bewaard. Van heiligdom tot heiligdom werd zij in de loop van de tijd door de ingewijde verder gereikt en tenslotte kwam zij naar Tyrus, de stad van de bouwmeester Hiram. En vandaar leidde haar weg naar het koninkrijk van Saba, waar de koningin van de sterrenwijsheid heerste. Ook daar werd de schaal een bepaalde tijd behoed. Met de koningin van Saba reisde zij vervolgens mee naar Jeruzalem, en zo kwam zij in het paleis en de tempel van de wijze Salomo.

Juist op die plaats werd in de tijd die volgde de komst van de Mensenzoon voorbereid. Het ‘keerpunt van de tijden’ dat de oude geschriften hadden voorzegd, naderde. De Zoon van God werd met behulp van de kracht van de aartsengel Michaël, via het lichaam van de Jonkvrouw Maria op aarde geboren.
Jezus werd door de doop tot Christus, zijn woord en zijn kracht verbreidden zich door hem en zijn discipelen onder de mensen. En toen de tijd gekomen was dat Christus en zij volgelingen aan het laatste avondmaal zaten, toen bevond zich ook de schaal, die Michael van de steen uit Lucifers kroon had gevormd, onder hen. En daar ging de bestemming van de heilige kelk in vervulling, want de kracht dic Christus in zijn leerlingen liet indalen, vulde ook de schaal en was voortaan voelbaar voor ieder die haar op de juiste wijze naderde.
Uit het huis van het avondmaal kwam de kelk vervolgens bij Pilatus, die hem bewaarde. En toen na het Mysterie van Golgotha Jozef van Arimathea, die ook een geheime leerling van Jezus was, naar Pilatus ging en hem toestemming vroeg Jezus’ lichaam van het kruis te mogen nemen, toen gaf Pilatus hem de kostbare kelk, waardoor zijn bestemming vervuld werd.
Jozef van Arimathea behoedde de kelk trouw, en toen hij van het Oosten naar het Westen reisde, kwam de schaal als Graalskelk naar de Berg van het Heil, de Mont Salvat. Daar werd de schaal al het kostbaarste, kracht schenkende testament van de Zoon van God behoed.
De lichtbrengende heerlijkheid van Lucifer werd zo door Michaëls zwaard en kracht tot heilige schaal, die Christus met zijn offerkracht vulde. De sporen van deze graalsstroom doortrekken als een onderaardse rivier onze geschiedenis tot op de huidige dag.
Martin Sanküler - Michaël, verhalen en legenden’



vrijdag 25 maart 2011

De lichtjes van Sint Maarten




Sint Maarten is het eerste feest van de grote advent. Het is ook het eerste feest dat in het teken staat van het licht, maar ook van elkaar zien en delen. De natuur toont zich op zijn aller-ruwst, de mens trekt naar binnen in de warme omhulling van het huis en ontsteekt er het vuur en de lichten.

Rond Sint Maarten mogen natuurlijk de uitgeholde en verlichte knolletjes niet ontbreken, gebuik hiervoor een biet, knol of een winterpeen, deze staan symbool voor een zomer die ons warmte en licht heeft geschonken.

Wij brengen het licht van buiten naar binnen, in de uitgeholde knol – een knol is een aarde gewas, het licht in de knol herinnert ons aan de warmte van de zomerzon die er in opgevangen werd en ook het licht dat bewaard blijft tijdens de donkere maanden. Het draagt het leven dat straks weer zal ontwaken, in zich. Wij gaan ook in de koude maande naar binnen, in ons huis brand het haardvuur en wij steken de kaarsen graag aan om het gezellig te maken. Het is een uiterlijke beeld van dat wat op geestelijke gebied gebeurt. In de wintermaanden zijn de krachten in de aarde heel actief, de aarde heeft zijn wezen ingeadend. Daar vindt de voorbereiding plaats voor wat komen gaan.




zaterdag 12 maart 2011

Bomen en planetenkrachten

De bomen en de planetenkrachten


Maandag Maan: groei, kiemkracht / kersenboom

Dinsdag Mars: daadkracht / eik

Woensdag Mercurius: beweeglijkheid / iep

Donderdag Jupiter: leiderschap en vernieuwing / esdoorn

Vrijdag Venus: ontvankelijkheid en omhullen / berk

Zaterdag Saturnus: gevoeligheid, diepgang, herinneren / beuk

Zondag Zon: harmonie / es



In de weg door het leven zijn wij onder de invloed van:

De maan: 0-7jr.

mercurius: 7-14

Venus: 14-21



De werking van de planetenkwaliteiten zijn in hun eenzijdigheid te vinden in zeven boomsoorten. In de Goetheanum zijn er 2 keer zeven zuilen van de zeven houtsoorten.

De kwaliteiten zijn verbonden aan de levensfasen maar ook aan persoonlijkheidstypen; wanneer iemand in het leven tussen dood en nieuw geboorte erg lang in een specifieke planetensfeer vertoeft, neemt hij de kwaliteiten ervan mee in een volgend aardeleven.

Ook voor de mens op aarde kwam, toen de eerste mensen langzaam op de aarde incarneerden, waren er mensen zielen die in ander planetensferen vertoefden. Zij hebben de kwaliteiten van de planeten als werkzame kracht in hun eigen aard.

De kersenboom – maan (maandag)

Kersenhout neemt veel vocht op ( kan er ziek aan worden)
Lente als jaargetij - schoonheid en groeikracht/ eb en vloed: maaninvloed
Uitnodigend
Vrucht sappig, kleurig en geurend; rond
Vruchtvlees aan buitenkant zacht, harde kern.
Maanmensen:

0-7 groei is belangrijk
Streven niet naar een hoge positie/verantwoordelijkheid
Houden van gezelligheid
Zetten zich makkelijk in voor allerlei klusjes
Diepgang vermoeit hen snel
Levensgenieters
Willen jong blijven, worden nooit volwassen
Gezellig, Bourgondisch/ gemakkelijke mensen
Bang voor ziekte en dood/ kunnen niet goed omgaan met ziek zijn
Maanziek - vooral mannen - werkt op gemoed
Dichterlijke: ontwaakt in het nacht/ kan doorslaan
Bij vrouwen invloed op menstruatiecyclus
Sporten om jong te blijven
Kunnen makkelijk hetzelfde werk blijven doen/ herhaling
Wegdromen, mijmeren.


De eik - mars (dinsdag)

Diep slaan, sterk staan
Hoog gaan - ik ben eik
Grond – trouw - stam – rouw
Blad klauw – ik ben eik
Diep slaan, sterk staan
Hoog gaan - ik wordt mens.

Tegengestelden van Venus
Mannelijk
Strijd/verzet zich al bij eerste groei - wortel heeft al een knoest!
Enorme kracht/vindt een eigen weg; spreidt overal, als er geen plaats is dan krult hij er rommelig omheen.
Daadkracht/willen meteen in actie/denken niet na over gevaar
Eigenwijs/volgt niet de zon

GROEIWIJZE VAN DE BRAAM.- HEEFT GEEN EINDPUNT, STOPT EN GAAT ELDERS VERDER, IETS IN DE WERELD ZETTEN MAAR NIET AFMAKEN.

Marsmensen:

Leeftijd 42-49jr
veel mensen gaan nu pas datgene realiseren wat ze hun hele leven gewild hadden/vaak groot verandering rond 42ste levensjaar: crisistijd en dan nog een stuk vernieuwing, nieuwe impulsen.
Daadkracht
Afmaken wat begonnen werd is moeilijker
Ze hebben veel doorzettingsvermogen/voegen de daad bij het woord
Onbezonnenheid


De iep – Mercurius (woensdag)

Kort van steel, schuin van blad
Staat de iep langs mijn pad.
Wuift zijn kroon op de wind,
Golft in lang glanzend lint
Groen wordt geel, zomer wijkt
Uitgestorven door ziekte, in open land zichtbaar
Blad ongelijk bij steel;
Bij sterke wind beweegt stam mee/extra bewegelijk!
Zaadjes zwermen weg; veel en snel.
Mercuriusmensen:

7-14 jaar - grote bewegelijkheid
Schoolleeftijd: oefenen het beheersen binnen een beweeglijk programma, ze
Staan open voor het opnemen van informatie.
Deze mensen kunnen veel dingen aan
Bewegelijke mensen/willen ook de omgeving in beweging brengen
Markt kooplui/verzamelen en handelen
Kleptomanie
Bruggenbouwers tussen mensen
Houden ervan mensen te ontmoeten, gezelligheid.
Willen mensen graag koppelen in de ontmoetingen/kunnen verbindingen leggen.
Balsem voor de medemens
Weinig diepgang, hebben wel houvast nodig
Alles wat er in het leven gebeurt, willen zij vasthouden; doorgaans in deze stammen namen gekrast; herinneringen bewaren.
De bladeren hangen eerst en gaan pas later omhoog wijzen.


De esdoorn – Jupiter (donderdag)

Ruimte zoek ik, overal
Waar mij blad maar stralen zal
Zwaarte hef ik naar het licht,
Blad om blad, in evenwicht.
Draaiend zweeft mijn zaad in’t rond
Tot het op de aarde komt.
Wieken voeren het gezwind
Waar het zich een rustplaats vindt.
Esdoorn met een sterrenblad
Spreekt over mijn levenspad
Wereldomtrek durft gij aan
Door de zwaarte te weerstaan
Etageboom- takken systematisch geordend, onderste takken het wijdst.
Blad heeft vijf punten; prachtige intensieve kleuren in de herfst.
Knop in voorjaar zeer bijzonder.
Als men de lijn van de nerven door zouden trekken zouden ze horizontaal zijn.
De boom zelf heeft een sterk middelpunt, de top geeft de groei aan, als beschadigd vormt sterkste tak weer de hoofdlijn.
Krachten van het leidinggeven.
Jupitermensen:

49-56 jaar doorgeven aan ander wat je verworven heb; meester van je vak en kan jonge mensen de weg wijzen.
Aangeboren leiderschap
Wil altijd verder streven maar neem anderen mee in de ontwikkeling/in een eenzijdige ontwikkeling mond dit uit in bureaucratie
Jupiter geeft ruimte tot vernieuwing.
Leidinggeven = ze kunnen de wereld ordenen maar geven anderen ook de ruimte; de anderen kunnen mee en er wordt plaats gemaakt voor iets nieuws.
Negatief: dominant
Doorgeschoten: bureaucratie.


De berk – Venus (vrijdag)

In het bos staat een berk
Stam van los zilverwerk
Blaadjes klein, sluierfijn.
Alles glanst aan de berk
Alles danst bij de berk
Als een elf zo vanzelf
In haar licht en haar pracht
Zegt de berk:
“mens verwacht van omhoog,
En geef dank wat zich boog

Wit stam
Berkensap kan getapt worden
Bas wisselt zich
Wortelt oppervlakkig
Binnenkant koperkleurig
Zaadjes geel aan de binnenkant/lijken op baarmoeder/heeft iets vrouwelijks
Driehoekige, losse blaadjes
Luchtig/licht/vrolijke aard
Vrolijkheid, uitnodigend
Schoonheid/mooie kleding
Ontvankelijkheid (vogels/kevers)
GROEIWIJZE VAN ROTSPLANTJES
Venusmensen:

14-21 grote ontvankelijkheid
Kwetsbaar/wil met alles kennismaken en onderzoeken
Beroepen: ziekenhuizen(homoseksuelen)verpleeghuizen, kunstenaars(moeten ontvankelijk zijn om ideeën op te nemen)
Omhullende, moedergevoel, verzorgen, daar waar een nood is.
Vraagt meer van de hemel dan de aarde.
Ontvankelijkheid en zorg


De Beuk – Saturnus (zaterdag)

In stilte staat de beuk
Met gladde stam zo teer
Het duister van zijn kroon
Ziet zwijgend op je neer.
De hete zonnestraal
Reikt nergens op de grond.
Door bladeren, van omhoog
Geen regendruppel komt.
Met innigheid en met ernst
Vertolkt de beuk zijn lied:
“O mens, vervul je taak,
Vergeet de aarde niet”

Hard: buchstabe/drukletters
Gladde stam
Overgevoelig voor het licht, wil niet te veel.
Hulpverlener/te grote hulpvaardigheid kan bemoeizucht worden
Behoefte aan schoonheid en zier
Kunstenaars
Sporten niet van wegen gezondheid, maar om slank te worden


GROEIWIJZE
Saturnusmensen:

Leven graag in het verleden, kunnen goed herinneren/behoefte om vast te leggen (dagboekschrijvers)
Grote diepgang
Moeite met sociale
Afzondering/zeer gevoelig; mensen merken het echter niet meteen
Begrijpen de zin van het lijden.
Groot verantwoordelijkheidsgevoel; bezorgen anderen het schaamrood.
Harde werkers
Sterk in de vorm
Negatief: doel voorbijschieten.

De Es - zon (zondag)

Hoe edel en nobel
Verhef zich de es
Hoe fijn zijn haar bla’ren
Vol vederen en aderen
hoe kleurig haar bes
Het goud van het licht er
een zonnespel weeft.
Het glanst op de takken
die heffen en pakken
Wat god aan hen geeft.
Zo rank er haar vorm is,
Zo sterk is haar hout.
Van heel haar groots wezen,
Straalt fijnheid. Wij lezen:
”o mens wordt tot goud.”


Het is een groot boom groeit in evenwicht.
Wijde kroon, grijs hout.
Blad is gevederd; de zon schijnt er dwars doorheen
Nodigt uit er onder te liggen, lijkt wel sterrenhemel als omhoog kijkt.
Vreugde, lichtheid en opwekken
Transparant
Takken naar boven maken een u-vorm
Zonnemensen:

Harmonie/evenwicht
Ruimte en licht gevend aan anderen
Alle kwaliteiten in harmonie met elkaar
Dapper in de wereld staan, rustig de toekomst tegemoet gaat.
Christuskwaliteiten.
UIT: eigen aantekeningen ZONNEWAGEN

Lijdenstijd - crisistijd

Lijdenstijd - crisistijd


De lente en het lijdenstijd lopen samen. Dat is een soort tegenstelling! Elk nieuw leven begint met pijn.

In de Kalevala wordt het lijden uitgebeeld in de vertelling van Vainemoinen dat een kantele maakt het vervolgens raakt. In de kantele zijn waterkrachten: het is van de botten van een snoek gemaakt. Het heeft 5 snaren. Omdat hij zijn vreugde zonder zijn instrument niet kan uiten, heeft hij verdriet. Dan komt hij op de klagende treurberk af. Hij vergeet zijn eigen verdriet en daardoor ontstaat er ruimte voor een idee - hij maakt van het hout van de berk een nieuwe kantele, nu met 7 snaren (mineur)

Uit de Kalevala leren wij enerzijds om het leed niet te ontwijken en anderzijds om niet in droefheid weg te zinken. Wij moeten het midden vinden! Hoe? Vragen naar de oorzaak. Waarom leed Christus? Wat is de moderne weg van het lijden?

De dichter Rilke stelt dat wij mensen onze eigen verdriet als een ziek kind moeten wiegen. Je moet er zoveel van gaan houden, zegt hij, dat je God er in vinden.

“Zo groot moet je hulpvaardigheid en je goedheid zijn dat je het verwent dat zware van jou, dat niet kan bestaan zonder jou, dat het afhankelijk van je wordt als een kind. Heb je het eenmaal zover gebracht, dan zul je het niet willen dat er iemand komt die het je afpakt.

Lucifer was vanaf het begin verbonden met de mens. Zijn eenzijdige werking veroorzaakt (door toedoen van de mens) de ontstaan van Ahriman. De twee tegenkrachten proberen de mens zijn oorsprong te laten vergeten (dood is dood, wij hebben geen oorsprong en geen toekomst) Daardoor heeft het lijden ook geen zin.

Er zijn 12 Bodisatva’s. Door vele levens heen verwerft een Bodisatva in zijn laatste leven op aarde de Buddhaschap. Het mensheidslijden wordt 600 V.C. door Buddha diepgaand beleefd. Hij komt tot verlichting onder de budhi-boom. Buddha krijgt de opdracht om de mensheid te leiden en zodoende komt zijn leer van liefde en medelijden tot stand. De opdracht moet als mens uitgevoerd worden, zonder hulp van de geestelijke wereld.

Lijden is het gevolg van het vergeten van onze oorsprong. De geestelijke wereld raakt gesloten voor de mensheid. De leer van Buddha helpt de mens om zijn weg terug te vinden.

Wanneer zijn opdracht volbracht is blijft hij met de mensheidsontwikkeling verbonden vanuit de geestelijke wereld. Zijn “nirmanyakana” (etherlijf) verbind zich met de mens Jezus van Nazareth.

Wanneer iemand in de Geestelijke wereld schouwen kan, is het omdat zijn etherlichaam tot daar kunt reiken. Hij blijft in contact met zijn fysieke lichaam maar reikt tot in de Geestelijke wereld en schouwt daar. Bij de moderne mens is een lange oefenweg nodig om het etherlichaam weer hiertoe geschikt te maken, het is al te vast aan het fysieke lichaam gebonden.

Zarathustra brengt de leer van de kosmos, de koninklijken lijn van de Salemo-Jezus.

Twee stromen komen samen in de Christendom.

De voor-aardse daden van Jezus: de ziel van de Nathan-Jezus (onaangeraakt door aardse incarnatie) offert zich 3 maal voor Golgotha al, door zich te verenigen met de Christusgeest (ELOHIM/LOGOS)

Eerste offer in de sterrensfeer Rechtop gaan zintuigen

Tweede offer in de sterrensfeer Spreken 7 vitale organen

Derde offer in de sterrensfeer Denken

Vierde offer in de aardesfeer Ik

Geboorte in de stal (Lucas)

Vlucht naar Egypte (Mattheus)

12-jarige Jezus: de twee stromen komen samen

12-18 jaar: ontdekken van het zwijgen van Bat Kol (stem vanuit Geestelijke wereld)

Omgekeerde Onze Vader

18-24 jaar: ontdekking van de werking van de demonen

24-30 jaar: ontdekking van Lucifer en Ahriman die buiten gesloten worden (Essenen)

30 jaar: gesprek met de moeder (Sophia)

Doop in de Jordaan

30-33 jaar: 40 maanmaanden als Christus op aarde

33 jaar: dood op Golgotha

Christus brengt de opstanding door de dood heen: herinnering dat dood niet dood is. Hyperborea. Het vergeten is al vanaf Lemuria een beetje begonnen. Atlantis. Iedere keer vindt er weer een kleine herhaling van voorgaande tijdperken plaats. Oude India: een kiem van de weg terug te vinden. In het Egyptisch–Galdeische tijdperk wordt deze kiem bevrucht door de kruisdood. Vanaf het gebeuren op Golgotha werken Lucifer en Ahriman samen. Ze kunnen geen uiteindelijke overwinning behalen, maar blijven doorvechten om hun doel te bereiken.

Bron - Voordrachten rond de evangeliën Rudolf Steiner

Aantekeningen cursus Zonnewagen

woensdag 23 februari 2011

Een Driekoningen verhaal van Selma Lagerlöf

De Bron der Wijzen
Een Driekoningen-verhaal van Selma Lagerlöf

In het oude land van Juda ging De Droogte rond, met holle ogen en verbitterd, tussen verschrompelde distels en verdord gras. 't Was in de zomer. De zon scheen op schaduwloze bergruggen, de minste windkoelte dreef dichte wolken kalkstof op uit het witgrauwe veld, de kudden stonden bijeen in de dalen bij de uitgedroogde beken.

De Droogte ging rond en inspecteerde de watervoorraad. Ze dwaalde naar Salomons vijvers en zag zuchtend, dat ze nog een massa water tussen hun rotsige oevers bewaarden. Daarop ging ze naar de beroemde bron van David bij Bethlehem en vond ook daar water. Toen liep ze met slepende tred langs de grote landweg, die van Bethlehem naar Jeruzalem leidt.

Toen ze ongeveer halfweg gekomen was, zag zij de Bron der Wijzen, die daar dicht aan de weg ligt en zij merkte spoedig, dat die bijna uitgedroogd was. De Droogte zette zich op de rand van de put, die uit één grote, uitgeholde steen bestaat, en keek naar beneden in de bron. De blanke waterspiegel, die anders heel dicht bij de opening lag, was nu diep omlaag gezonken en slik en modder van de bodem maakten hem onrein en troebel.

Toen de bron het bruin verbrande gezicht van De Droogte zag afgebeeld op haar doffe waterspiegel, begon zij te golven van angst.

"Ik zou wel eens willen weten, wanneer het met jou gedaan kan zijn," zei De Droogte. "Je zult wel geen waterader kunnen vinden daar in de diepte, die je nieuw leven kan komen brengen. En van regen kan er, Goddank, in de eerste twee, drie maanden nog geen sprake zijn."

"Je kunt gerust wezen," zuchtte de bron, "niemand kan me helpen. Daar zou minstens een bronaar uit het Paradijs voor nodig zijn."

"Dan zal ik je niet verlaten, voor alles voorbij is," zei De Droogte.

Ze zag dat de oude bron haar einde tegemoet ging en nu wilde ze het genoegen hebben haar druppel voor druppel te zien sterven. Ze zette zich behaaglijk op de rand van de put en verheugde zich als zij de bron in de diepte hoorde zuchten. Zij had er ook veel plezier in te zien hoe dorstige reizigers naar de put kwamen, de aker lieten neerdalen en die optrokken met een paar modderige droppels van de bodem.

Zo ging de hele dag voorbij en toen de schemering viel, keek De Droogte weer in de put. Er blonk nog wat water in de diepte. "Ik blijf hier vannacht," riep ze. "Haast je maar niet. Als het zo licht is, dat ik je weer zien kan, ben ik er zeker van, dat het met je gedaan is."

De Droogte ging op het dak over de put zitten, terwijl de hete nacht, die nog akeliger en pijnlijker was dan de dag, neerdaalde over het land van Juda. Honden en jakhalzen huilden zonder ophouden en dorstige koeien en ezels antwoordden hen vanuit hun warme stallen. Toen eindelijk de wind opstak, bracht hij geen koelte, maar was heet en verstikkend, als de hijgende adem van een groot slapend monster.

Maar de sterren lichtten met haar allerliefelijkste glans en een kleine, blinkende maansikkel spreidde haar mooi groenblauw licht over de grijze heuvels. En in dat licht zag De Droogte een karavaan aankomen en de heuvel optrekken, waar de Bron der Wijzen lag.

De Droogte zat op het lage dak te kijken en verheugde zich opnieuw in al de dorst, die naar de bron kwam en daar geen druppel water vinden zou om gelest te worden. Daar kwamen zoveel dieren en kameelleiders aan, dat zij de bron wel hadden kunnen leegdrinken, al was die ook helemaal vol geweest. Plotseling kreeg zij de indruk, dat er iets wonderlijks, iets spookachtigs was aan die karavaan, die daar kwam aanzetten in de nacht.

Alle kamelen kwamen eerst te voorschijn op een heuvel, die scherp tegen de horizon afstak; het was alsof zij uit de hemel kwamen. Zij schenen ook groter dan gewone kamelen en droegen al te gemakkelijk de reusachtige lasten waarmee zij beladen waren.

Maar toch kon ze niets anders denken dan dat het werkelijkheid was. Zij zag ze immers heel duidelijk. Ze kon zelfs ook zien, dat de eerste drie dieren dromedarissen waren met grauw glanzend vel en dat ze rijk opgetuigd waren, gezadeld met mooie matten met franje en bereden door schone voorname ruiters.

De hele optocht hield stil bij de bron. De dromedarissen legden zich neer op het veld met drie onwillige, schokkende bewegingen, en hun ruiters stegen af. De pakkamelen bleven staan en naarmate ze dichter bij elkaar kwamen, schenen ze een onafzienbaar bos te vormen van lange halzen en bulten en wonderlijk opeengestapelde pakken.

De drie ruiters kwamen snel op De Droogte toe en begroetten haar door de handen op de borst te leggen. Zij zag, dat zij glanzend witte gewaden droegen en reusachtige tulbanden, waarop bovenaan een helder glinsterende ster bevestigd was, die straalde alsof zij direct van de hemel genomen was.

"Wij komen uit een ver land," zei een van de vreemdelingen, "en wij verzoeken u ons te zeggen of dit werkelijk de Bron der Wijzen is."

"Zo wordt zij vandaag nog genoemd," zei De Droogte, "maar morgen is het geen bron meer. Zij zal vannacht sterven."

"Dat kan ik begrijpen, omdat ik u hier zie," zei de man; "maar is dit niet een van de heilige bronnen, die nooit uitdrogen? En van waar heeft zij haar naam?"

"Ik weet dat ze heilig is," zei De Droogte; "maar wat kan haar dat helpen? De drie wijzen zijn in het Paradijs."

De drie reizigers zagen elkaar aan. "Kent u werkelijk de geschiedenis van de oude bron?" vroegen ze.

"Ik ken de geschiedenis van alle putten en beken en stromen," zei De Droogte trots.

"Doe ons dan het genoegen en vertel ons die," vroegen de vreemdelingen.

En ze zetten zich neer om de oude vijandin van alles wat groeit en luisterden. De Droogte kuchte even en kroop op de rand van de put, als een sagenverteller op zijn hoge stoel en begon haar verhaal:

"In Gabes, in Medië, een stad die aan de grenzen van de woestijn ligt en waar ik mij daarom gaarne ophoud, leefden voor vele jaren drie mannen, die beroemd waren om hun wijsheid. Zij waren heel arm, wat een ongewoon verschijnsel was, want in Gabes werd kennis hoog in ere gehouden en goed betaald. Maar door deze mannen kon dit haast niet anders, want een van hen was buitengewoon oud, de tweede was melaats en de derde was een neger, pikzwart en met dikke lippen. De mensen vonden de eerste al te oud om hun wat te kunnen leren, de tweede ontweken ze uit vrees voor besmetting en naar de derde wilden zij niet luisteren, omdat ze meenden te weten, dat nooit enige wijsheid uit Ethiopië gekomen was.

De drie wijzen sloten zich intussen in hun ongeluk bij elkaar aan. Zij bedelden overdag bij dezelfde tempelpoort en sliepen 's nachts op hetzelfde dak. Op die wijze hadden zij tenminste gelegenheid zich de tijd te korten door het gezamenlijk onderzoeken van al het wonderbare, dat zij bij dingen en mensen opmerkten.

Op een nacht dat ze, zij aan zij, sliepen op een dak, dat dicht begroeid was met rode bedwelmende papavers, werd de oudste van hen wakker en nauwelijks had hij een blik om zich heen geworpen, of hij wekte de beide anderen.

'Gezegend zij onze armoede, die ons noodzaakt in de open lucht te slapen,' sprak hij tot hen. 'Ontwaakt en heft uw ogen op naar de hemel.'"

"Nu," zei De Droogte met een wat zachter stem, "dit was een nacht, die niemand, die hem gezien heeft, ooit kan vergeten. Het heelal was zo licht, dat de hemel, die meestal op een vast gewelf gelijkt, diep en doorschijnend en vol golven scheen als een zee. Het licht stroomde er heen en weer en men zag de sterren drijven op ongelijke diepten, sommige midden in de lichtgolven, andere op hun oppervlakte.

Maar zo ver mogelijk en zo hoog mogelijk zagen de drie mannen een zwakke duisternis en dat duistere vloog door de ruimte als een bal en kwam al dichter bij en naarmate de bal naderde, begon hij te lichten. Maar hij lichtte zoals rozen - God late ze alle verdorren wanneer ze pas uit de knop komen. Hij werd al groter en het donkere hulsel er om heen sprong langzamerhand en het licht barstte naar buiten in vier heldere bladeren aan de kanten. Eindelijk, toen hij zo ver naar beneden was gekomen als de dichtstbijzijnde ster, hield hij stil. Toen bogen de donkere stukken geheel opzij en er wikkelde zich het ene blad na het andere los van een prachtig stralend rozenkleurig licht, tot hij eindelijk geheel klaar was en straalde als de schoonste onder de sterren.

Toen de arme mannen dat zagen, zei hun wijsheid hun, dat op dit uur op aarde een machtige Koning geboren werd, een wiens macht die van Cyrus en Alexander te boven zou gaan. En ze zeiden tot elkaar: 'Laat ons naar de vader en de moeder van de Pasgeborene gaan en hun zeggen wat we zoeven gezien hebben. Misschien dat ze ons dan belonen met een zak munten of met een gouden armband.'

Ze namen hun lange wandelstaven op en begaven zich op weg. Ze gingen de stad door en de stadspoort uit. Maar daar waren ze een ogenblik in de war, want nu breidde zich voor hen uit de grote droge, lieflijke woestijn, die de mensen verafschuwen. Toen zagen ze, hoe de nieuwe ster een smalle streep licht over het woestijnzand wierp en zij gingen getroost voort met de ster als wegwijzer.

Zij gingen de hele nacht voort over de witte zandvlakte en onder de hele tocht spraken ze over de jonge pasgeboren Koning, die ze zouden vinden, slapend in een wieg en spelend met edelgesteenten. Zij verkortten de uren van de nacht door er over te spreken, hoe zij tot zijn vader, de koning, zouden gaan en tot zijn moeder, de koningin, en hun zeggen, dat de hemel hun zoon kracht en macht en schoonheid en geluk voorspelde, groter dan die van Salomo.

Ze verhieven er zich op, dat God hen geroepen had om de ster te zien. Zij zeiden, dat de ouders van de jonggeborene hen niet met minder dan twintig zakken goud konden belonen. Misschien zouden zij zelfs wel zoveel geven, dat zij de pijn van de armoede niet meer behoefden te dragen."

"Ik lag op de loer in de woestijn als een leeuw," zei De Droogte, "en wilde me op deze reizigers werpen met alle ellende van de dood, maar ze ontkwamen mij. De ster leidde hen de hele nacht en tegen de morgen, toen het licht werd en de andere sterren verbleekten, bleef deze hardnekkig staan en lichtte over de woestijn, tot ze hen geleid had naar een oase, waar zij een bron en vruchtdragende bomen vonden. Daar rustten zij de gehele dag en eerst tegen de nacht, toen ze het sterrenlicht over het woestijnzand zagen, gingen zij verder."

"Voor een mens," ging De Droogte voort, "was het een heerlijke wandeling. De ster leidde hen zo, dat ze honger noch dorst behoefden te lijden. Zij bracht hen voorbij de scherpe distels. Zij ontweken het diepe losse stuifzand, zij ontweken de scherpe zonneschijn en de hete woestijnstorm. De drie wijzen zeiden aanhoudend tegen elkaar: 'God beschermt ons en zegent onze gang; wij zijn Zijn gezanten.'"

"Maar zo langzamerhand kreeg ik toch macht over hen," ging De Droogte voort. "Het hart van die sterrenreizigers veranderde in een woestijn, even droog als die waar ze doortrokken. Zij werden vol onvruchtbare trots en verwoestende gierigheid. 'Wij zijn Godsgezanten,' herhaalden de drie Wijzen. 'De vader van de pasgeboren Koning beloont ons niet te hoog, als hij ons een karavaan schenkt, beladen met goud.' Eindelijk leidde een ster hen over de beroemde Jordaan en de heuvels van Jeruzalem op. En op een nacht bleef die staan boven de stad Bethlehem, die tussen de groene olijven op een heuvel lag te schitteren.

De drie Wijzen zagen rond naar een paleis en vestingtorens en muren en al zulke dingen, die bij een koningsstad horen; maar zij zagen niets. En wat erger was, het sterrenlicht leidde hen niet eens de stad in, maar bleef staan bij een grot aan de kant van de weg. Daar gleed het zachte licht naar binnen door een opening en toonde de drie wandelaars een kindje, dat op moeders schoot rustig lag te slapen.

Maar hoewel nu de drie Wijzen zagen, dat het sterrenlicht het hoofdje van het kind omstraalde als een kroon, bleven zij buiten de grot staan. Zij gingen niet naar binnen om de kleine eer en een koninkrijk te voorspellen. Zij wendden zich af zonder hun tegenwoordigheid te verraden, en zij vluchtten van het kind weg en liepen terug naar de heuvel.

'Zijn wij uitgegaan naar bedelaars, die even arm zijn als wij?' zeiden ze. 'Heeft God ons hierheen geleid, opdat wij met Hem zouden spotten, en eer en aanzien voorspellen aan de zoon van een schaapherder? Dat kind brengt het nooit verder dan dat hij zijn kudde hoeden zal hier in het dal.'"

De Droogte hield op en knikte bevestigend haar toehoorders toe. "Heb ik geen gelijk?" scheen zij te vragen. "Er is iets, dat droger is dan woestijnzand, maar niets is onvruchtbaarder dan het mensenhart."

"De drie Wijzen hadden niet lang gelopen, toen het hun voorkwam, dat zij verdwaald waren en de ster niet goed gevolgd hadden," ging De Droogte voort. "En zij zagen omhoog om de ster te vinden en de rechte weg. Maar toen was de ster, die zij heel uit het oosten gevolgd hadden, van de heuvel verdwenen." De drie vreemdelingen maakten een heftige beweging en op hun gezichten lag een uitdrukking van diepe smart.

"Wat nu gebeurde," ging de spreekster voort, "is van het standpunt van een mens uit gezien, misschien gelukkig. Dit is zeker, dat de drie mannen, toen zij de ster niet meer zagen, begrepen dat zij tegen God gezondigd hadden. En hun geschiedde," vertelde De Droogte bevend verder, "zoals het veld in de herfst, als de sterke regens beginnen. Zij beefden van schrik als voor donder en bliksem, hun ziel werd week en ootmoed ontsproot in hun hart als groen gras. Drie dagen en drie nachten dwaalden zij door het land om het kind te vinden, dat zij moesten aanbidden. Maar de ster vertoonde zich niet aan hen. Zij verdwaalden steeds verder en voelden de grootste smart en wanhoop. In de derde nacht kwamen zij aan deze bron om te drinken. En toen had God hun de zonde vergeven, zodat, toen ze zich over het water bogen, zij daar in de diepte het spiegelbeeld zagen van de ster, die hen uit het oosten hierheen geleid had.

En onmiddellijk zagen zij die ook aan de hemel en zij leidde hen opnieuw naar de grot in Bethlehem. En zij knielden voor het kind en zeiden: 'Wij brengen U gouden schalen met wierook en kostbare kruiden. U zult de grootste koning worden, die op aarde geleefd heeft, van haar schepping af tot haar ondergang toe.' Toen legde het kind zijn hand op hun gebogen hoofden, en toen zij opgestaan waren, had het hun geschenken gegeven groter dan een koning ze geven kon. Want de oude bedelaar was jong geworden, de melaatse was gezond. En men zegt, dat zij zo heerlijk waren om aan te zien, dat zij heentrokken en koning werden - ieder in zijn eigen land."

De Droogte hield op met vertellen en de drie vreemdelingen prezen haar: "U hebt goed verteld," zeiden zij. "Maar het verwondert mij," zei de ene, "dat de drie Wijzen niets voor de bron deden, die hun de ster toonde. Zouden ze zulk een weldaad geheel vergeten?"

"Moet zulk een bron niet altijd blijven bestaan?" zei de tweede vreemdeling, "om de mensen te herinneren, dat het geluk, dat verloren wordt op de bergen van de hoogmoed, teruggevonden kan worden in het dal van de nederigheid?"

"Zijn de overledenen dan erger dan de levenden?" zei de derde. "Sterft de dankbaarheid bij hen, die leven in het Paradijs?"

Maar toen zij dit zeiden, sprong De Droogte op met een kreet. Zij had de vreemdelingen herkend, ze begreep wie die reizigers waren. En zij vluchtte als een razende om niet behoeven te zien hoe de drie Wijzen hun dienaren riepen en hun kamelen naar de bron leidden, allen beladen met waterzakken, en de arme, stervende bron vulden met water, dat zij uit het Paradijs gehaald hadden.

woensdag 9 februari 2011

Adventsverhalen

Advent in verhalen

De Sterrendaalders is een sprookje van de gebroeders Grimm, zeer van toepassing op deze (advents)tijd:

Er was eens een klein meisje. Haar vader en moeder waren gestorven en zij was zo arm dat zij geen kamertje meer had om in te wonen en geen bed meer had om in te slapen, en tenslotte helemaal niets meer, behalve de kleren aan haar lijf en een stukje brood in haar hand dat iemand met een medelijdend hart haar had gegeven.
Maar zij was vroom en goed en omdat zij zo alleen op de wereld was trok zij -vertouwend op de goede God - het veld in. Daar ontmoette zij een arme man die zei: "Ach, geef mij iets te eten, ik heb zo'n honger". Zij gaf hem het hele stukje brood en zei: "Moge God het zegenen", en ging verder.

Toen kwam er een kind dat liep te jammeren en zei: "Ik heb het zo koud op mijn hoofd, geef mij iets waarmee ik het kan bedekken". Het meisje zette haar muts af en gaf dit aan het kind. Toen zij nog een tijdje gelopen had, kwam er weer een kind, en dit kind had geen borstrokje aan en had het koud. Toen gaf zij het kind het hare; en nog een eind verder vroeg er een om een rokje en dat gaf zij toen ook weg.

Eindelijk kwam ze in een bos, het was al donker. Toen kwam er nog een en die vroeg om een hemdje en het vrome meisje dacht: De nacht is donker, niemand die het ziet, je kunt je hemd best weggeven, en zij trok het uit en gaf het weg.

Terwijl zij daar zo stond en helemaal niets meer had, vielen er opeens de sterren uit de hemel en dat waren louter klinkende zilveren daalders en hoewel zij juist haar hemdje had weggegeven had zij nu een nieuw hemdje aan en dat was van het aller-fijnste linnen.

Daarin vergaarde zij de daalders en was voor haar hele leven rijk.


















Verhaal om te vertellen bij de viering van het Adventsfeest met de oudere kinderen
Lierspel bij binnenkomst: Stil nu


Over Sterren



















EVA'S DROOM

Toen Adam en Eva van de verboden vrucht hadden gegeten, waren zij op Gods bevel uit het Paradijs verdreven.

De engel Gabriel had met zijn vlammend zwaard de poorten achterhen ge¬sloten en nu stonden ze eenzaam en verlaten - in een onbekende wereld. De roofdieren, die hen eens zo vertrouwd waren geweest, loerden hier op hen met bloeddorstige blikken. De gure wind blies om hen heen. Ze voelden koude en angst, want het werd nacht.

Toen namen Adam en Eva elkaar bij de hand en zochten tastend hun weg naar een veilige plaats, waar geen roofdieren hen in de slaap konden overvallen.

Eindelijk vonden zij een grot en daarin bleven zij.

Zij waren heel treurig, want ze hadden het gevoel, of het die nacht nooit meer dag zou worden. Zij dachten dat God hen voor altijd verlaten had. Eva voelde alle verdriet dubbel, want het was toch haar schuld. Doodmoe van alle ellende viel ze eindelijk in slaap.

Lierspel: Donker is de Aarde

Ze droomde, dat de engel Gabriel opnieuw voor haar stond. Hoog opge¬richt, maar nu zonder vlammend zwaard, stond de engel voor haar en sprak: "Eva, God heeft jullie niet' verlaten. Ook heeft hij het berouw over je zonde gezien- en daarom mag ik je nu de weg wijzen, die je eens terug zal voeren ~aar het paradijs. Zie Eva, hier reik ik je het verbo¬den vrucht, omdat ze op Gods bevel mee te dragen op het pad, dat wij nu zullen gaan."

En de vrucht, waarvan Adam en zij hadden geproefd tegen Gods wil in", legde de engel ongeschonden in haar handen.

"Volg mij," sprak hij met een stem, waarin strengheid en mildheid klon¬ken. "Zorg ervoor, dat de vrucht, die God je nu heeft toevertrouwd, ongeschonden blijft op de weg die wij zullen gaan."

Eva volgde de engel over een smal pad. Langs steile rotswanden liepen ze en aan hun rechterzijde gaapte een diepe afgrond.

Toen ze op een plek kwamen, waar een smalle trap was uitgehouwen, daalden ze die af.

Eva zag ontelbare treden voor z1ch, die zo ver gingen, dat ze het ein¬de van de trap niet kon onderscheiden.

Lierspel: Als door fijne sterrenvlokken

Ze daalde de trap af en terwijl ze daalde, zag ze beelden voor zich uitgebreid, die steeds wisselden. Het waren de beelden van het wereld¬gebeuren, die zij zag. Maar hoe dieper zij kwam, hoe lelijker die beel¬den werden en hoe zwaarder ook da vrucht woog die in haar hand en lag. Zij zag de mensen zich vermenigvuldigen. Maar steeds bozer werden zij tegen elkaar en ze zag hoe oorlogen, honger en ellende in de wereld kwamen. Hoe ziekten en nood heersten onder de mensen. Maar het ergste wat ze zag, was, dat mensen zich steeds verder van God gingen af¬keren en steeds meer de hemel vergaten, waaruit zij stamden. Toen riep Eva in wanhoop uit: "Engel Gabriel laat mij niet verder gaan, laat mij terugkeren! De vrucht in mijn handen wordt z6 zwaar; dat ik haar niet langer kan dragen. Is het mijn schuld, dat de wereld zo slecht wordt?" De engel keek om en sprak op ernstige toon! "Eva je moet volhouden, want we zijn bijna in de diepste diepte en daar mag je de vrucht geven aan degene voor wie God haar heeft bestemd.

Lierspel: Er komt een schip gevaren

Moeizaam daalde Eva nu verder. Ze lette niet meer op de beelden die ze voor zich zag, maar keek

slechts naar de vrucht, die zij droeg en die maar steeds zwaarder woog. Toen werd het volkomen duister om haar heen en ze voelde dat de trap ten einde was en ze nu over de vlakke grond liep.

De vrucht was zo zwaar geworden, dat ze grote moeite had haar niet te laten vallen.

Daar klonk de stem van de engel Gabriel juichend als vele bazuinen, die Gods heerlijkheid willen verkondigen en hij sprak: “Zie Eva”, “in de diepste afgrond is Gods' heerlijkheid nabij! “


Het werd licht om Eva en in dit licht zag zij een jonge vrouw staan, stralend, lief en schoon.









Lierspel: The Angel Gabriel

Voor haar trad de engel Gabriel en Eva zag, dat hij een tak met witte lelies in de hand hield, in plaats van hat vlammende zwaard. Jubelend klonk zijn stem nu terwijl hij sprak: "Gegroet Maria, begenadigde onder de vrouwen. Vrees niet, want u hebt genade gevonden in God. U zult bevrucht worden en een zoon baren en zult zijn naam heten Jezus. Deze zal groot zijn en de zoon des allerhoogste genaamd worden. En God de

Heer zal hem de troon van zijn Heerlijkheid geven.”

Toen knielde Eva voor Maria neer en gaf haar de vrucht, die zij had moeten meedragen en die onder het toehoren van de engelboodschap steeds lichter in haar hand en was gaan wegen.

Zij voelde nauwelijks nog de vrucht, toen zij die aan Maria gaf. En deze vrucht werd in Maria de vervulling van Gods Heerlijkheid.

Eva stond op en zag de engel voor zich staan, die sprak:

Dit nu Eva, is Gods belofte, want zijn eigen zoon zal aan de mensen de weg terug wijzen naar het paradijs."

Lierspel: Het daget in het Oosten

Eva ontwaakte uit haar diepe slaap.

Zij wist eerst niet of zij waakte of droomde en waar zij zich bevond. Maar toen zij om zich heen de donkere grot zag en door de opening de zon zag verrijzen voor de nieuwe dag, wist ze weer, dat ze met Adam alleen stond in een onbekende wereld.

Maar ze was niet wanhopig meer, omdat ze begreep, dat God hen niet had verlaten en dat er eens, in de verre toekomst een tijd zou komen, dat Gods eigen zoon de weg terug zou wijzen naar het paradijs. Nu kon ze aan Adam haar schone droom vertellen en hem ook troosten, zodat zij" samen het leven in de onbekende wereld beter zouden kunnen dragen.

Lierspel wanneer kinderen naar buiten gaan: Stil nu